Cohen over wetenschap en islam: gemiste kans

Foto: Roel Wijnants
Foto: Roel Wijnants

Zorg ervoor dat de wetenschappelijke kennis en inzichten niet binnen de wetenschappelijke wereld blijven, en doe uw uiterste best om die inzichten werkelijk een rol te laten spelen in het maatschappelijke discours.

Door Lenie Brouwer Het zou het adagium van iedere antropoloog kunnen zijn, maar deze stelling komt van burgemeester Cohen van Amsterdam. Hij deed deze opmerkelijke uitspraak tijdens de recente opening van het nieuwe Leids Universitair Centrum voor de studie van islam en samenleving (LUCIS). 

In zijn lezing maakt Cohen enkele belangrijke opmerkingen over het islamdebat in Nederland en de rol van de wetenschap daarin. Zo vindt hij dat er in het debat te veel nadruk ligt op de  homogeniteit onder moslims en te weinig aandacht is voor  de grote onderlinge diversiteit.

Terecht stelt Cohen dat de islam lang niet zo nieuw is in het Westen als men over het algemeen denkt; onder andere op universiteiten bestaat hier al eeuwen aandacht voor – speciaal in Leiden. Verder pleit hij – zoals hierboven geciteerd – voor verspreiding van wetenschappelijke kennis met als doel het maatschappelijk debat te beïnvloeden. Mijn eerste reactie was positief.

Wat goed dat Cohen het voor de zo geplaagde islamitische burgers opneemt, was mijn gedachte. Wie kan hier nu op tegen zijn? Bij nader inzien werd ik aanmerkelijk minder positief, vooral toen ik zijn oproep aan de wetenschap las om inzichten te toetsen aan de algemene opvattingen over de islam. Ik citeer:

Wat kan de wetenschap bijvoorbeeld zeggen over de juistheid van de volgende beelden die hier van islam en moslimgemeenschappen bestaan?
–    De islam is een gewelddadige religie,  
–    Nederland islamiseert, wat betekent dat precies? Is het waar? Zo ja, wat zijn de consequenties daarvan? Levert het gevaren op? Of kan het bijdragen aan de ontwikkeling van onze samenleving?
 – Is het waar dat (ook internationaal) de extremistische varianten van de islam oprukken?
– Is de islam onveranderlijk en dus een “achterlijke” godsdienst, een godsdienst die niet past in de ontwikkelingen die de afgelopen eeuwen in het westen hebben plaats gevonden? En zou daarom ook ‘de’ moslimwereld – of grote delen daarvan –  als onveranderlijk, of achterlijk zijn te beschouwen?
– Verdraagt de islam zich met een westerse democratische rechtstaat, of ruimer: kan een moslimland democratisch zijn?

Martijn de Koning vraagt het ook al  met zoveel woorden op zijn weblog: heeft Cohen zijn huiswerk wel gedaan? Over bovenstaande onderwerpen is al heel veel gepubliceerd en de meeste bestaande stereotypen zijn al lang doorgeprikt. Het probleem met deze populistische vragen is, dat Cohen op deze manier nu juist de negatieve beeldvorming reproduceert die hij zegt te willen bestrijden. Ook met de volgende vragen die Cohen stelt, heb ik grote moeite:

Wat willen moslims in Nederland als het gaat om hun participatie en integratie in de Nederlandse samenleving? Want wat weten wij daarvan? De stem van ‘gewone’ moslims (de gewone hardwerkende moslim, om in het jargon te blijven) komt in het maatschappelijke debat weinig voor het voetlicht. Wij horen nogal eens radicale uitspraken, en er wordt veel gesproken over moslims, maar biedt dat nu een goed inzicht in wat er in doorsnee onder moslims in onze samenleving leeft?

Op het eerste gezicht zou je zeggen dat de vraag naar de mening van gewone moslims in Nederland belangrijk is en onderwerp moet zijn van onderzoek. Maar Cohen legt niet uit waarom het zo interessant is om juist hún mening te weten. Waarom worden Nederlandse islamitische burgers hier als een groep en als aparte categorie aangesproken?

Ook hier neemt Cohen te weinig afstand van het door Wilders gedomineerde debat, met als onderliggende assumptie dat moslims een probleem zijn in onze samenleving. Uit het onderzoek van Esposito en Mogahed, dat Cohen met veel instemming citeert, blijkt ook al dat je niet bang hoeft te zijn voor moslims, ze zijn net als wij. Jammer, burgemeester Cohen, wat mij betreft een gemiste kans om nu eens een ander geluid te laten horen in het verharde islamdebat. 

Lenie Brouwer is docente aan de afdeling Sociale en Culturele Antropologie van de VU. Zij schreef eerder over Een ‘global village’  in Turkijede relatie tussen etniciteit en zelfmoord en het boek van Robert Vuijsje.

Met betrekking tot het zogenoemde islamdebat schreef Brouwer over het ontslag van Tariq Ramadan en de speech van Obama in Eqypte.

Verder verschenen rondom dit debat berichten over Tariq Ramadanjongeren als verliezers bij Ramadans ontslag, en reacties van moslimjongeren op de politiek van Wilders.

4 Comments on “Cohen over wetenschap en islam: gemiste kans”

  1. Je hebt goede punten, Lenie! Heb je het stukje al aan Cohen doorgestuurd? Zo heeft hij meteen een reactie uit academische hoek 🙂

  2. Beste Lenie, Jij en Martijn de Koning zijn wel erg streng voor Job Cohen. Hij is een verstandige man en hij bedoelt het goed. Wij moeten als wetenschappers oppassen dat we van de weeromstuit niet net zulke scherpslijpers worden als vele anderen zijn geworden in het publieke debat. Onlangs hoorde ik iemand (nota bene een professor) het multiculturalisme in verband brengen met Goebbels en Hitler!? Ik vind Job Cohen, op het grensvlak van politiek en wetenschap waarop hij bij deze gelegenheid uitgenodigd was te gaan staan, een verademing. (Her)lees maar eens zijn beschouwingen van de afgelopen jaren in de bundel “Binden” (2009). Stuk voor stuk erudiete, verlichte en verstandige overwegingen. Dat doet menige sociale wetenschapper hem… niet na. Groeten, Geert.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *