Afval: we kúnnen het opruimen

Freek Colombijn     Ons afval dreigt ons te verstikken. Zelfs de mooiste plekjes op aarde zijn bezaaid met plastic. Gelukkig nemen wereldwijd mensen initiatieven om de afvalberg te verminderen.

De feestdagen zitten erop. Voor veel mensen was het ook, of misschien vooral, een week van consumeren. Overdadige kerstdiners, vuurwerk, nieuwe kleren, cadeautjes onder de kerstboom. Dit alles hoeft helemaal niet in strijd te zijn met de kerstgedachte, want bij een feest horen lekker eten en mooie kleren. Wat wél een probleem is: met al dat consumeren produceren we natuurlijk ook een extra grote berg afval.

Strand Kuta Beach (Bali)
Het strand van Kuta (foto: Tim Faassen)

Na de feestdagen puilen onze vuilnisbakken uit van etensresten, lege flessen, pakpapier en verpakkingen van cadeautjes, verpakkingen van nieuwe overhemden en nylonkousen, afgestoken vuurpijlen, zelfs complete kerstbomen. Deze sporen van de feestdagen zijn kenmerkend voor een veel groter probleem: we dreigen om te komen in ons afval, wat een belangrijk onderdeel is van ons algemene milieuprobleem. Toen afgelopen december de vuilnislieden in Madrid staakten, werd de stad snel onleefbaar. Wie in de Himalayas – zuivere lucht, sneeuwwitte bergtoppen, kristalhelder smeltwater? – wandelt, volgt een spoor van afval. Jaarlijks laten bergbeklimmers 33.000 kg aan lege flessen op de Mount Everest slingeren en de basiskampen van de bergbeklimmers zijn amper te onderscheiden van een vuilnisbelt. In Kuta Beach, de bekendste badplaats van paradijselijk Bali (Indonesië), spoelt met elke vloed een nieuwe hoeveelheid zwerfvuil op het strand.

Waar komt al dit afval vandaan? Meerdere antwoorden zijn mogelijk. De een zal wijzen op de noodzaak ingebouwd in ons kapitalistische systeem om telkens meer te produceren (en dus te consumeren). Een ander kijkt naar de aarde als een groot ecosysteem, waarvan het evenwicht verstoord is. Antropologen ontwikkelen hun eigen analyses van de milieuproblemen. Zij proberen te begrijpen hoe de betrokken mensen zelf tegen de situatie aankijken en of, en wanneer, mensen er wat aan willen doen.

Masterstudent Antropologie Tim Faassen bestudeert het afval op het strand in Kuta. Hier lijkt het grootste probleem te zijn dat niemand zich verantwoordelijk voelt voor het probleem en dat er dus weinig mensen zijn die het voortouw willen nemen om het zwerfaval tegen te gaan. Wat ook meespeelt is dat twintig-dertig jaar geleden er vooral organisch afval werd geproduceerd; verkocht voedsel werd bijvoorbeeld verpakt in bananenblad en niet in plastic. Bestaande lokale  manieren om met afval om te gaan, bijvoorbeeld dumpen, waren wel geschikt voor organisch afval, maar niet voor de nieuwe vormen van afval (zoals plastic en batterijen). Het plastic afval spoelt uiteindelijk op het strand aan en brengt daarmee een van de grootste attracties van de toerisme-industrie op Bali in gevaar.

Dat iemand zich verantwoordelijk voelt, of ‘eigenaar’ van het probleem is, is cruciaal om er iets aan te doen. Zelf doe ik ook onderzoek naar milieuproblemen in Indonesië, in Surabaya. Deze miljoenenstad is verbluffend schoon, behoudens op een paar plekken ‘niemandsland’, zoals langs een spoorbaan. Een van de meest opgeruimde wijken van Surabaya is Margorukun, een wijk die hoge ogen gooit bij de jaarlijkse door de gemeente en Unilever uitgeschreven wedstrijd ‘Surabaya green and clean, van welke wijk de schoonste van de stad is. Bezoekers uit binnen- en buitenland komen naar de wijk, om te zien hoe de bewoners dat klaarspelen. Bewoners splitsen afval in huis en brengen gezamenlijk het plastic, ijzer en papier weg naar opkopers van recyclebare materialen. Van GFT afval maken ze zelf compost, waarmee ze planten opkweken die de enige straat waar de wijk uit bestaat opfleuren. En passant zorgen de hoog opgeschoten planten voor een koeler klimaat in de anders bijna ondraaglijk hete straat.

Het verhaal hoe de wijk Margorukun de straat schoonhoudt is bijna te mooi om waar te zijn. Telkens moeten de bewoners opdraven om bezoekers te ontvangen (en kort daarvoor de straat nog eens aan te vegen). Heeft nooit iemand er genoeg van en is er niemand die zich drukt bij deze groepsactiviteit? Na meermalen in de wijk (en andere soortgelijke ‘succeswijken’) te zijn teruggekomen, wordt me langzaam duidelijk dat het helemaal geen probleem wordt gevonden dat niet iedereen in de wijk meehelpt. Het mannelijke wijkhoofd en zijn team van een twintigtal vrouwen, houden het werk angstvallig in eigen handen en willen helemaal niet dat anderen zich er erg voor inzetten. De reden? Deze kleine groep verdient op allerlei wijzen aan de schoonmaakactiviteiten en het schone imago van de wijk. Bijvoorbeeld door zich als managers van het recycle programma een percentage te gunnen van de verkoop van afval of door te verdienen aan de stroom bezoekers.

vuilstort Surabaya
Pemulung op een vuilstortplaats in Surabaya (foto: Freek Colombijn)

Dat mensen niet uit idealisme afval opruimen, maar uit winstbejag hoeft helemaal geen probleem te zijn. Financieel eigenbelang is waarschijnlijk een duurzamer motief om afval op te ruimen dan goede voornemens en zorg om het milieu. De kracht van het eigen belang blijkt ook wanneer we de stromen afval door de stad volgen. Het afval legt in Surabaya een oneindig complexer route af dan in het Nederlandse model van: consument zet afval op straat, vuilnisophaaldienst brengt het weg naar een verwerkingsplaats. In Surabaya (en andere Indonesische steden) kan men in elke straat, op elk moment van de dag iemand zien die bezig is met het sorteren van afval en verzamelen van wat bruikbaar is, waarbij zogenaame waste pickers (of pemulung in het Indonesisch) zich specialiseren in een of enkele producten, zoals karton, of plastic bekertjes. Wie op de juiste plaats inhaakt in de route die het afval naar de gemeentelijke stortplaats aflegt kan door het uitzoeken en verkopen van recyclebaar afval een inkomen verdienen gelijk aan dat van een jonge docent op de universiteit.

Master student Martina Morbidini doet onderzoek bij de waste pickers in Belo Horizonte (Brazilië), die daar catadores genoemd worden. In tegenstelling tot Indonesië, waar de burgerij letterlijk en figuurlijk de neus ophaalt voor de waste pickers, kunnen de catadores bij een deel van de Braziliaanse middenklasse op respect rekenen. Gevoed door opvattingen van de mondiale milieubeweging krijgt de middenklasse oog voor het nuttige werk van de vuilsplitsers. Een kunstenaars collectief in São Paulo bijvoorbeeld, beschildert de karretjes waarmee de catadores door de straten gaan met eco-plaatjes en provocerende uitspraken als ‘um catador faz mais do que um ministro do meio ambiente’ (een catador doet meer dan een minister van milieu). Voor Martina is het de vraag of de catadores zich bewust zijn van hun groene imago en de terminologie van de mondiale milieubeweging gebruiken om hun zwakke sociaal-economische positie te versterken. Als dat lukt, wordt de lage status van het werk als catador gecompenseerd door de hoge status van ‘milieuheld’ en mogen we erop hopen dat er ook bij de snel stijgende welvaart in Brazilië mensen zullen blijven die als catador willen werken.

We hoeven niet naar het andere eind van de wereld om te zien hoe mensen met afval omgaan. Bachelor student Floor Hoonhout doet in Amsterdam onderzoek naar dumpster divers. Dumpster divers zijn mensen die producten die ‘over tijd zijn’ uit de afvalcontainers van supermarkten vissen om alsnog te gebruiken. Afval wordt weer eten. Dumpster diven kan ook aan het eind van een marktdag, wanneer onverkochte groente en fruit door de marktkooplieden weggegooid worden. Floor gaat verder dan Tim, Martina en ikzelf met de beproefde antropologische methode van participerende observatie: onderzoek doen door mee te doen. Waarom doen dumpster divers dit, hoe reageert hun omgeving erop? Wie het antwoord op deze vragen wil weten, moet Floors blog volgen.

Hoewel dumpster diven een nieuwe variant is op het aloude ‘proletarisch winkelen’, lijkt juist hier idealisme een relatief grote rol te spelen. Over het algemeen wijzen de gegeven voorbeelden daarentegen in de richting van eigen belang als de belangrijkste drijfveer om iets aan het afval probleem te doen. Dat direct gewin een rol speelt bij het verminderen van de afval berg is op de lange termijn alleen maar een geruststellende gedachte. We kunnen wat aan het afvalprobleem doen.

Freek Colombijn is als universitair hoofddocent verbonden aan de afdeling Sociale en Culturele Antropologie van de Vrije Universiteit Amsterdam. Op Standplaatswereld verschenen verschillende blogs van zijn hand. 

One Comment on “Afval: we kúnnen het opruimen”

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *