Een akelig artikel over een akelige gewoonte: Ook meisjesbesnijdenis vraagt een eerlijk debat

logo 6februari copy 2
VON (Vluchtelingen Organisaties Nederland) logo voor Zero Tolerantie tegen VGV (Vrouwelijke Genitale Verminking) dag, 6 februari

Door Edien Bartels en Martijn de Koning [i] In het stuk ‘Een akelige moslimgewoonte’ (Trouw, Letter en Geest, 22.2.2014) [ii] probeert Maurice Blessing aan te tonen dat meisjesbesnijdenis een voorschrift is van de islam. De auteur is arabist en doceerde aan de UvA. We vragen ons af of deze auteur kennis heeft over de verschillende manifestaties van de islam en meisjesbesnijdenis, het plaatsvinden van meisjesbesnijdenis en de verschuivingen, de toename of afname. Het gaat ons ook om de kern van zijn betoog. Wat voor nut heeft het zogenaamd vaststellen dat meisjesbesnijdenis islamitisch is? Vloeit daar een specifieke aanpak uit voort? Laten we dan alle christenen en animisten die meisjesbesnijdenis praktiseren maar liggen? Erger nog: de aannames van Blessing zijn niet correct en gebaseerd op een verkeerde voorstelling van zaken. [iii]

Het begint al met de casus van de vijfjarige Zoë die door haar vader besneden zou zijn. De rechter heeft volgens Blessing te weinig inzicht getoond, want de vader werd vrijgesproken. Zijn Marokkaanse afkomst en born-again moslim-identiteit zouden volgens Blessing voldoende geweest moeten zijn om hem een motief in de schoenen te schuiven. Maar deze vader heeft altijd ontkend heeft dat hij zijn dochter had besneden en altijd gezegd heeft dat hij erg tegen meisjesbesnijdenis was. Het meisje woonde bovendien in een pleeggezin en meestal gebeurt meisjesbesnijdenis door vrouwen. De vader was inderdaad van Marokkaanse afkomst maar in Marokko, weliswaar een islamitisch land, vindt geen meisjesbesnijdenis plaats. Hij was het salafistisch gedachtengoed toegedaan en salafisten zijn tegen meisjesbesnijdenis.

Blessing haalt in zijn stuk verder de onderrapportage over meisjesbesnijdenis aan door de VN, die recent onder de aandacht is gebracht, en ziet daarin een uitkomst van een politieke gedachtegang dat meisjesbesnijdenis niet aan de islam gekoppeld mocht worden. De berichtgeving zou in het verleden vooral geweest zijn over Afrika en de statistieken zouden besneden vrouwen uit het Midden-Oosten en Oost-Azië niet opgenomen hebben. Ongetwijfeld heeft Blessing als goede wetenschapper de bronnen gecontroleerd voordat hij deze bewering opschreef. Maar waarom vermeldt hij dat niet?

Hij had bijvoorbeeld het beroemde The Hosken Report van 1979 kunnen noemen, waarin melding wordt gemaakt en cases worden beschreven van de verschillende landen in Azië waar meisjesbesnijdenis plaatsvindt? Op Wikipedia staat al langere tijd een uitvoerige beschrijving van de landen in Afrika, Azië en het Midden Oosten waar meisjesbesnijdenis voorkomt. Overigens is de foto van de zes besnijdsters die bij Blessings artikel is geplaatst genomen door Sara Corbet in Bandung, Indonesië, en in januari 2008 geplaatst in het New York Times Magazine. En dan zijn dit nog maar enkele meldingen over rapportage van meisjesbesnijdenis in gebieden buiten Sub-Saharisch Afrika. Al sinds de jaren tachtig zijn er tientallen studies verricht over meisjesbesnijdenis in Azië en het Midden-Oosten, waaronder door een van de auteurs van deze blog. [iv] Zo ‘onder gerapporteerd’ is meisjesbesnijdenis in Azië en het Midden Oosten dus niet. Dat de VN en andere organisaties daar nu pas mee naar buiten komen zal zijn redenen wel hebben. Waarschijnlijk is het een manier om meer aandacht te vragen en geld te genereren. Het werd bekend gemaakt rond 6 februari, de dag van ZERO tolerance tegen meisjesbesnijdenis wereldwijd.

Ook de relatie tussen islam en meisjesbesnijdenis is bekend voor Azië en het Midden-Oosten. In 2003 bijvoorbeeld heeft de Population Council Jakarta met steun van het ministerie voor Women’s Empowerment en enkele afdelingen van twee universiteiten een rapport uitgebracht over het voorkomen van meisjesbesnijdenis in Indonesië. Ook de religieuze factor wordt besproken. Zo zijn de volgelingen van de Malikitische rechtsschool (een van de vier rechtsscholen in de islam) wel voor jongensbesnijdenis maar niet voor meisjesbesnijdenis. In Indonesië zijn dus ook moslims die meisjesbesnijdenis niet als een voorschrift van de islam zien. Deze Malikitische rechtsschool is dominant in Marokko, Algerije en Tunesië, waar geen meisjesbesnijdenis plaatsvindt.

Dit brengt ons bij de vraag die Blessing stelt naar meer openheid over de relatie tussen vrouwenmishandeling en religieuze tradities. Gaat het hem hier, met het begrip vrouwenmishandeling, nu eigenlijk nog om meisjesbesnijdenis of om wat we tegenwoordig schadelijke traditionele praktijken noemen? En gaat het dan om de islam of ook om andere religieuze tradities? Christenen besnijden ook hun dochters in Egypte, Eritrea, Ethiopië en in andere landen waar de praktijk van meisjesbesnijdenis al van ver voor het ontstaan van de islam werd uitgevoerd. Is meisjesbesnijdenis dan een ‘akelige moslimgewoonte’ of heeft het met andere factoren te maken? Of voeren die christenen misschien een ‘akelige moslimgewoonte’ uit? Volgens Blessing is het belangrijk om te weten wat nu precies een religieuze traditie is en hoe die zich ontwikkelt in het ‘krachtenveld van actoren’ binnen een gezin of een gemeenschap. Maar dan moet je juist geen etiketten gebruiken als ‘islamitisch’ want dat verduistert juist alle interne tegenstellingen die aanknopingspunten bieden voor samenwerking met lokale actoren in het bestrijden.

Blessing geeft aan dat theorieën over de rol van ‘sharia tradities’ nog niet ontwikkeld zijn en ook niet toegepast. Wat zijn ‘sharia tradities’? Zijn dat alle vormen en varianten van de islam? Dan is het toch juist de vraag waarom binnen de ene ‘sharia traditie’ wel aan meisjesbesnijdenis wordt gedaan en binnen de andere niet, al dan niet met een beroep op die traditie?

Duidelijk is dat Blessing niet het veld van wetenschap overziet dat zich bezighoudt met meisjesbesnijdenis en met meisjesbesnijdenis en islam. Dat is wel degelijk iets om een auteur van zo’n stellig opiniestuk kwalijk te nemen. Nu verschijnen er halve waarheden voor een groot publiek over een gevoelig onderwerp. Er is namelijk wel degelijk onderzoek gedaan naar verspreiding van meisjesbesnijdenis en bijvoorbeeld het opkomen van recente en nieuwe vormen en de factoren die een rol spelen, door ons en andere onderzoekers. Hoe kan het bijvoorbeeld zo zijn dat Mali zo’n sterke besnijdenistraditie heeft? Die traditie is daar gebracht via handelskaravanen uit het Midden-Oosten, maar lang niet alle groepen langs die handelsroutes hebben het ritueel overgenomen. Hoe kan het zijn dat er in Sudan na de Tweede Wereldoorlog een nieuwe vorm van besnijdenis is opgekomen, begonnen onder een groep die juist toegankelijk was voor voorlichting? Hoe kan het dat in Senegal een etnische (niet-islamitische) groep meisjesbesnijdenis invoert tegen de zin van de mannen? Specifieke tradities komen als ze voor betrokkenen nut hebben en zin geven en veranderen of verdwijnen als nut en zin veranderen of verdwijnen. Daarbij kunnen religieuze bronnen en gezaghebbers een rol spelen, maar dat is nooit het hele verhaal.

Er zijn anders dan Blessing beweert, heel veel studies verricht naar religieuze tradities en de ontwikkeling daarvan, zowel binnen de islam en het christendom maar ook binnen religies als het hindoeïsme en het boeddhisme. Die studies zijn vooral verricht door antropologen, net die wetenschappers die volgens de auteur er van uitgingen dat een dergelijk ‘barbaars’ gebruik (meisjesbesnijdenis) uit ‘donker Afrika’ afkomstig zou moeten zijn. Over meisjesbesnijdenis in Noordoost-Afrika en het Midden-Oosten, Somalië, Egypte, Soedan, (dus ‘verlicht’ Afrika?) is ook door Nederlandse antropologen gepubliceerd. En voor de goede orde: antropologen gaan er juist vanuit dat een gebruik niet bij voorbaat als ‘barbaars’ bestempeld moet worden omdat een dergelijke houding het begrijpen van het waarom tegengaat. Maar dat wordt hen dan ook weer verweten. Onderzoekers die zich neutraal opstellen en willen achterhalen waarom moeders hun dochters laten besnijden, (het zijn vrouwen die meisjesbesnijdenis in stand houden), krijgen dan weer het verwijt dat ze vóór meisjesbesnijdenis zijn.

Tot slot de oproep van Blessing aan de overheid om de bestrijding van meisjesbesnijdenis te stimuleren. Vooral universiteiten zouden gestimuleerd moeten worden dit thema en de relatie tussen religie en eerwraak te bestuderen. Het is natuurlijk altijd goed om een onderzoeksveld open te leggen. Maar nu is er juist op dit gebied veel gedaan het afgelopen decennium. Eerwraak, eer gerelateerd geweld, meisjesbesnijdenis, is zowel onderwerp van wetenschappelijk onderzoek geweest als onderwerp van toegepast onderzoek. Natuurlijk kan er altijd meer en nog beter onderzoek verricht worden. Maar het is eerlijker wanneer schrijvers van opiniestukken zich eerst op de hoogte stellen voordat ze onwaarheden of halve waarheden verkopen.

Edien Bartels en Martijn de Koning zijn antropologen en werkzaam respectievelijk als emeritus van de afdeling Sociale en Culturele Antropologie van de VU en als senior onderzoeker van de afdeling Religious Studies van de Radboud Universiteit en de afdeling antropologie van de UVA. 


[i] De onderstaande reactie is door Trouw geweigerd. Hoewel het artikel van Blessing pretendeert vanuit godsdienst wetenschappelijke en islamitisch theologische invalshoek geschreven te zijn mag een reactie daarom van Trouw niet wetenschappelijk zijn. Een reactie moet geschikt zijn voor  “een breed lezerspubliek. Artikelen moeten daarom goed toegankelijk zijn en lekker soepel zijn geschreven. Uw artikel leest teveel als een wetenschappelijk referaat.” aldus Jeroen den Blijker van de redactie.

[iv] Bijvoorbeeld: Bartels, Edien (1993) “Reinfibulation and the battle against female circumcision.” In:  Één dochter is beter dan duizend zonen. “ Arabische vrouwen, symbolen en machtsverhoudingen tussen de sexen. Pp. 211-223.  dare.ubvu.vu.nl/bitstream/1871/15428/1/264.pdf

3 Comments on “Een akelig artikel over een akelige gewoonte: Ook meisjesbesnijdenis vraagt een eerlijk debat”

  1. Hartstikke goed stuk, Edien en Martijn! Wat ongelooflijk dat de Trouw-redactie (een verkorte versie van) de redactie niet wilde plaatsen. Het bewijst weer hoe eenzijdig de media is.

  2. Halve waarheden? Maar het was mij wel uit Blessings artikel duidelijk dat er geen simpel verband was tussen meisjesebesnijdenis en Islam. Het is toch algemeen bekend dat verreweg de meeste moslims daar niet aan doen.

  3. Kleine aanvulling/correctie:

    Dat het salafisme ertegen is, is te kort door de bocht van onze kant. Diverse salafi geleerden hebben verklaard dat het sunnah is in die gevallen dat de besnijdenis zeer oppervlakkig is en zonder beschadiging of misvorming (goed, wat dat dan is kun je over discussiëren). In de praktijk lijkt het samen te hangen met de specifieke etnische groepen en degenen die zich tot een andere groep rekenen reageren meestal met afschuw.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *