In the Name of the Victims? Transitional justice in Peru

8 Oktober jongstleden promoveerde Mijke de Waardt aan de VU op het proefschrift: “In the Name of the Victims? Victim-Survivor Associations Negotiating for Recognition in Post-Conflict Peru.” In deze blog vat zij haar dissertatie samen.

Foto voorkant Mijke

Mijke de Waardt   In de berichtgeving door media en humanitaire organisaties worden slachtoffers van burgeroorlogen of dictaturen vaak eenzijdig afgeschilderd. Iedereen herkent waarschijnlijk de beelden van wenende personen die foto’s van hun gestorven of verdwenen geliefden omhooghouden, of van wanhopige mensen die uitleggen wat voor angstaanjagende ervaringen hen zijn overkomen. Minder wordt getoond hoe deze mensen gezamenlijk proberen om hun leven te reorganiseren na het ervaren van dergelijke incidenten, en wat voor politieke eisen zij hebben voor de toekomst van hun land.

Het geven van getuigenissen is een voorbeeld van de belangrijke rol die slachtoffers kunnen hebben in een transitieperiode, waarin onder andere activisten, politici, journalisten en wetenschappers proberen om een reconstructie te maken van mensenrechtenschendingen die begaan zijn tijdens het voorgaande gewelddadige conflict of repressief regime. De verhalen van ooggetuigen vormen tegenwoordig één van de belangrijkste bronnen van informatie voor het achterhalen van deze historische feiten.

Een dergelijke reconstructie past binnen het idee dat na een burgeroorlog of autoritair regime een natie alleen opnieuw opgebouwd kan worden als ze een benadering kiest om om te gaan met de erfenissen van mensenrechtenschendingen. De omgang met deze schendingen wordt transitional justice genoemd. Transitional justice verwijst daarmee naar een heel scala van mechanismen die gerechtigheid zullen bevorderen en die dienen te voorkomen dat mensenrechtenschendingen opnieuw plaats zullen vinden. Voorbeelden van dergelijke mechanismen zijn dus een Waarheidscommissie, maar ook dader strafprocessen of het optuigen van een monument, zoals ons nationaal monument op de Dam. Echter, ondanks dat zulke mechanismen vaak een eerbetoon zijn aan slachtoffers, houdt de rol van slachtoffers in dergelijke transitional justice processen vaak op nadat zij hun getuigenis hebben gegeven.

Toch hebben ook slachtoffers een rol in een post-conflict samenleving die verder gaat dan de rol van ooggetuige. In Peru organiseren veel slachtoffers zich in vrijwilligersorganisaties. Via deze organisaties ontwikkelen zij initiatieven om niet alleen sociaal-emotionele steun te vinden bij elkaar, maar ook om hun eisen op de Peruaanse politieke agenda te krijgen.

Ik pleit in mijn proefschrift voor een benadering van transitional justice die verder gaat dan het onderzoeken van het niveau van de staat, door mogelijkheden van slachtoffer-activisme te verkennen, om zo gelaagdere kennis van sociale wederopbouw te kunnen verkrijgen. Deze op meerdere lagen dan alleen de staat gerichte benadering betekent dat ik er niet van uitga dat transitional justice praktijken automatisch erkenning brengen voor slachtoffers. Ik wilde juist weten hoe politieke, economische en maatschappelijke mogelijkheden de presentatie van de eisen van slachtoffers voor erkenning beïnvloeden.

Ik heb in totaal 20 maanden veldwerk verricht in Peru. 10 maanden lang draaide ik van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat mee in vrijwilligersorganisaties van slachtoffers van Peru’s interne conflict (1980-2000). Ik heb eerst drie maanden in de stad Lima meegedraaid in een organisatie van mensen die ten onrechte waren beschuldigd van terrorisme en jarenlang gevangen hebben gezeten. Vervolgens heb ik onderzoek gedaan in de stad Ayacucho bij een organisatie van familieleden van personen die waren meegenomen door het leger of guerrillastrijders en nooit zijn teruggevonden. Daarna heb ik in Huancayo deelgenomen aan activiteiten van een organisatie van intern ontheemden die op de vlucht waren geslagen voor het geweld. Ik heb 61 slachtoffers geïnterviewd, en ik was dagelijks aanwezig in hun kantoortjes, gaarkeukens, en bij hun vergaderingen, demonstraties op straat, herinneringsbijeenkomsten, overleggen met de overheid en ontwikkelingsorganisaties, maar ook was ik bij verjaardagen, etentjes en kerstvieringen.

De titel van mijn proefschrift, “In de naam van de slachtoffers?” verwijst naar drie processen die de mogelijkheden van slachtoffer-activisten om erkenning te krijgen vorm geven. Ten eerste verwijst de titel naar de term slachtofferschap. Spreken van dé slachtoffers is problematisch. Ik laat zien dat er allerlei definities zijn ontwikkeld van slachtofferschap door de Peruaanse overheid en door internationale en Peruaanse hulporganisaties. Definities die constant aan verandering onderhevig zijn. De consequentie van deze veranderingen in definities is dat slachtoffers, soms wel maar daarna ook weer niet als slachtoffer worden gezien, soms wel en daarna niet hulp kunnen krijgen, soms wel en later toch weer niet deel kunnen nemen aan overleg met de overheid. Ik laat zien dat dit gebruik van het begrip “slachtoffer” invloed heeft op de mate waarin slachtoffers juridische, politieke en maatschappelijke erkenning kunnen ontvangen. Als het onzeker is wie tot deze groep behoren is het immers ook makkelijker om ze politiek en maatschappelijk buiten te sluiten.

“In de naam van de slachtoffers?” heeft ook betrekking op wie slachtoffers mogen vertegenwoordigen. In Peru worden de meeste maatschappelijke organisaties niet gefinancierd door de overheid, zoals dat hier meestal wel gebeurt, maar door ontwikkelingssamenwerking. Ik laat zien dat het huidige karakter van ontwikkelingssamenwerking structurele relaties tussen Peruaanse maatschappelijke organisaties belemmert. Lokale mensenrechtenorganisaties dienen bijvoorbeeld aan capaciteitsopbouw te doen. Hierdoor werken zij voornamelijk samen met slachtofferorganisaties die nog niet zonder steun politieke eisen kunnen formuleren. Dit moet omdat een mensenrechtenorganisatie haar bestaansrecht anders moeilijk kan legitimeren richting donoren. Slachtofferorganisaties lopen daardoor het risico om afgeschilderd te worden als niet in staat zijnde om belangen zelf te verwoorden. Doordat slachtoffers als zwak worden gepresenteerd kunnen mensenrechten- en ontwikkelingsorganisaties namens slachtoffers opereren, in plaats van dat slachtofferorganisaties dat zelf doen. Dit zorgt echter voor frictie en voor versnippering van het Peruaanse maatschappelijke middenveld. Dit is gevaarlijk omdat dit middenveld nu niet gezamenlijk optreedt tegen mogelijke nalatigheid van de Peruaanse regering ten aanzien van bescherming van mensenrechten.

De titel verwijst tenslotte ook naar de projecten die er “in naam van de slachtoffers” worden uitgevoerd. Ik laat zien dat wat gerechtigheid is weinig betekenis kan hebben zonder te verwijzen naar de sociale, economische en politieke situatie van de slachtoffers in het land waar ze wonen. De onderzochte slachtoffers eisen momenteel vooral financiële herstelbetalingen van de staat voor de schendingen die zij hebben meegemaakt. Waarom slachtoffers vooral hierom vragen, en niet bijvoorbeeld om een monument zoals hier op de Dam, kan alleen maar begrepen worden door zowel de maatschappelijke positie van slachtoffers voor als na een conflict te analyseren. Omdat die ervaringen van land tot land verschillen is er niet een toolbox met mechanismen open te trekken die automatisch leidt tot gerechtigheid of een meer stabiele democratie. Ik laat zien dat de rol van slachtofferorganisaties een fundamentele voorwaarde zal zijn van dergelijke contextualisering in toekomstig beleid van- en onderzoek naar mogelijke processen van gerechtigheid.

Mijke de Waardt is docent in de Bachelor Culturele Antropologie & Ontwikkelingssociologie aan de VU.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *