De sjamaan en de sofa

door Peter Versteeg

Hoe vreemd is vreemd? Waarom noemen we sommige dingen gek en andere niet? Het zijn de bekende vragen waarmee antropologen graag hun publiek vermaken en onderwijzen. Het vermogen om het perspectief vanuit andermans werkelijkheid te kiezen kunnen we wel het unique selling point van de antropologie noemen. Maar een ander perspectief kiezen betekent nog niet dat we automatisch ook onze eigen bril hebben afgezet. Dat viel me onlangs op in een interview met organisatieantropoloog Danielle Braun.

Braun schreef Da’s gek, een verhalend boek waarin zij het idee van ‘normaliteit’ antropologisch bekijkt. Gek of normaal – het zijn dingen die in een context betekenis krijgen. Brauns boek gaat over zeer uiteenlopende onderwerpen, maar in het kranteninterview bleef ik vooral hangen bij een vergelijking tussen sjamaan en psychiatrische patiënt: “Bovenzintuigelijke [sic] ervaringen worden in andere culturen [dan westerse] positief gelabeld en niet als ziekte gezien. Wie al stemmen hoort als hij jong is, wordt juist geschikt bevonden voor een opleiding tot sjamaan. Een sjamaan heeft status, terwijl een psychiatrisch patiënt in het Westen vaak tot de onderkant van de samenleving wordt gerekend.” De gedachte is hier dat beide vormen van waarnemen en ervaren vergelijkbaar zijn, maar binnen verscheidene contexten verschillend gewaardeerd worden. De man of vrouw die met geesten kan omgaan, is een belangrijke figuur in een context waarin dit belangrijk wordt gevonden. De psychiatrische patiënt is daarentegen een probleemgeval in onze, door het biomedische discours bepaalde, maatschappelijke setting.

Wat Braun doet is iets wat veel antropologen graag doen: een spiegel voorhouden waardoor ons eigen culturele gedrag in een ander perspectief komt te staan. Het resultaat is dat gedrag dat wij normaal vinden ter discussie worden gesteld, zoals het bekende motto luidt: het vreemde wordt gewoon en het gewone vreemd. Brauns boek is hiervan een voorbeeld. Deze aanpak is ongetwijfeld nuttig, ware het niet dat het voorbeeld vragen oproept. De sjamaan en de psychiatrische patiënt worden in feite aan elkaar gelijk gesteld. Kan dat eigenlijk wel?

De discussie is al oud. In vroege etnologische studies van sjamanisme waren psychiatrische interpretaties van de sjamaan heel gangbaar. De sjamaan werd gezien als hysterisch, een zenuwpatiënt, schizofreen, of neurotisch – met andere woorden: een psychiatrisch patiënt. Een duidelijk verschil met nu is wel dat antropologen als Braun het ‘gekke’ van de sjamaan waarderen, terwijl bovengenoemde observaties het gedrag van de sjamaan veel negatiever bezien. De antropoloog I.M. Lewis doet hiervan verslag in zijn klassieke boek Ecstatic Religion waarin hij zijn theorie ontvouwt over sjamanisme en bezetenheid. Hoewel zijn studie uitvoerig besproken en bekritiseerd is, heeft Lewis deze verschijnselen helder gefundeerd in de sociale structuur van samenlevingen. Daarmee biedt hij een belangrijke antropologische verbinding met meer psychologisch georiënteerd onderzoek naar bezetenheid. Aan de relatie bezetenheid en psychiatrie wijdt hij zelfs een heel hoofdstuk, waarin hij duidelijk maakt dat de visie op de ‘gekke’ sjamaan tamelijk etnocentrisch is. Maar in zijn kritische bespreking gaat hij verder dan de vergelijking die Danielle Braun maakt en trekt hij eigenlijk een heel andere conclusie. Op basis van vergelijkend onderzoek zegt Lewis dat de sjamaan veel vaker een mentaal gezonde persoon is dan iemand met psychiatrische problemen. Wanen, epileptische verschijnselen en neurotisch gedrag worden in veel gevallen zelfs als onwenselijk gezien voor iemand die regelmatig tussen geesten en mensen moet bemiddelen. In samenlevingen waar bezetenheid en sjamanisme bekende verschijnselen zijn, onderscheidt men deze ook duidelijk van psychische aandoeningen. Het lijkt erop dat de vergelijking sjamaan / psychiatrische patiënt, hoewel sympathiek bedoeld, geen hout snijdt. Maar als dat zo is, wat zegt dit dan over de buitenzinnige ervaringen van de sjamaan?

Kennelijk kun je ervaren om door onzichtbare werelden te reizen en met duistere krachten te onderhandelen, en toch mentaal gezond zijn. De ervaring door geesten lastig gevallen te worden, bijvoorbeeld door stemmen te horen, is inderdaad vaak een teken van een roeping als geestenbemiddelaar. We zouden kunnen spreken van een professioneel trauma dat, eenmaal overwonnen, het bewijs is dat de sjamaan toegerust is tot haar taak. De kern van de zaak is het spiritueel en mentaal herstel van haar klanten en het repareren van harmonie binnen een groep. Wat dat betreft lijkt de sjamaan meer op een shrink en hebben haar seances meer gelijkenis met therapeutische sessies. Volgens Lewis is de sjamaan zelfs meer dan een psychiater. Ook fysieke kwalen, ongeluk, de krachten van de natuur en divinatie behoren tot haar werkterrein – de geesten bemoeien zich daar namelijk ook mee.

De vergelijking sjamaan / psychiatrisch patiënt bevraagt onze culturele blik op gekte, maar is in wezen etnocentrisch. Het is bedoeld om ons anders naar psychiatrische patiënten te laten kijken. Wanneer we echt een ander perspectief kiezen moeten we ons bekende tegenbeeld loslaten. Ook het beeld van de therapeut is nog teveel vanuit onszelf gedacht. De sjamaan leert ons misschien wel dat wij niet zo goed in contact staan met bepaalde (transcendente, imaginaire, spirituele?) registers waarmee we onze medemens van dienst kunnen zijn. Het ligt er maar aan wat we in de spiegel willen zien.

Peter Versteeg is universitair docent antropologie. 

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *