Nationalisme – een kwestie van goede smaak

DOOR TON SALMAN

Nationalistische betogen kunnen zelden bekoren. Ze zijn altijd wat gezocht. En wat hooghartig. En contingent. Immers: hebben de Nederlanders nu werkelijk unieke kwaliteiten, van het kaliber waar de mensheid echt wat aan hééft, en waar andere volkeren of groepen zich niet op kunnen beroepen? En zonder het demagogisch bij elkaar te jokken? Zoals “tolerantie”? Of zijn we “polderanten”? Of lekker libertaire en olijke red-light-district-aanbieders? Twijfelachtig allemaal, toch?

Hooghartig: zijn we beter of zo? Waarin dan? Rechte slootjes graven? Tweede Pinksterdagen handhaven? Stormvloedkeringen bouwen? Files bestrijden? Gelijkheid voor vrouwen? Weinig redenen om te pochen. En los daarvan: wie zijn die “wij” hier precies?

En contingent ook nog: was je een paar honderd of desgewenst duizend kilometer verder naar het oosten, of zuiden geboren, zou je dan snikkend The Last Night of The Proms aanhoren? Of aan de hondensledewereldkampioenschappen meedoen? Of als Bask de veldslag bij de Roncevauxpas (778 AD) herdenken? Kortom: wat zou het, dat topografisch willekeurige nationalistische sentiment?

En toch, en toch. Er wordt beweerd dat mensen zich optrekken aan hun nationale identiteit. Dat het een symbolische verbondenheid is. Dat het mensen motiveert en soms het beste in zo’n “ons” naar boven haalt. Misschien. Dus toch maar op zoek naar Nederlandse trekken die een zekere trots zouden kunnen genereren? En niet onaangenaam worden en anderen niet omlaag duwen?

Een opvallende kandidaat voor zo’n trekje leek altijd al de typisch Nederlandse wijze om op bank of leunstoel neer te ploffen en gelukzalig en luidruchtig “hè, hè” te verzuchten. Nooit hebben we dat iemand van enig ander volk zien en horen doen. Zou UNESCO het als immaterieel werelderfgoed willen erkennen, als we daarvoor zouden pleiten? Evenzogoed: het blijft magertjes, natuurlijk.

Maar de redding is nabij: bij de herontmoeting met een al wat oudere roman van de Braziliaan João Ubaldo Ribeiro: Brazilië, Brazilië (oorspronkelijk: Viva o povo Brasileiro)— over de geschiedenis van dat onvolprezen land. Daarin vinden we wat we zochten. Om precies te zijn in een hoofdstuk over het midden van de zeventiende eeuw, toen Nederlanders een stuk van Brazilië bezetten. Daarin wordt een prachtig, fier makend verhaal verteld. Er leefde daar in die tijd een caboco, volgens de woordenboeken een menging van een Europese en een Inheemse mens (“indiaan”, meende Columbus). Die caboco (Capiroba genaamd) is menseneter en heeft een gezin te onderhouden. En jaagt dus op Portugezen en de enkele Spanjaard die in die contreien rondlopen. Maar hij is eigenlijk matig tevreden.

Een paar fragmentjes geciteerd: er was weliswaar “Jacob Ferreiro do Monte […die…] een voorbeeldige kippensmaak had, […en..] Gabriel da Piedade….die voortreffelijke gerookte ham opleverde” en er waren “andere Portugezen uit Minho met onovertroffen blank vlees dat het altijd goed deed in smoorgerechten”. Echt een sterrenrestaurant werd het echter nooit. Maar dan komt het moment waarop hij van de jacht terugkwam “met een vlasblonde Hollander […. ]. De Vlaming (we waren toen één, hè, en bovendien: daar maakte de caboco geen issue van) smaakte een beetje flauw, het vlees was wat bleekjes en zoetig, maar zo teer en zacht, zo licht verteerbaar, de kinderen vonden het lekker en het liet zich moeiteloos lenen voor ieder culinair gebruik, dat weldra iedereen het prefereerde boven elk ander voedsel, zelfs caboco Capiroba, wiens voorheen ruwe smaak zozeer gewend raakte aan het Vlaamse vlees, dat hij soms misselijk werd alleen al bij de gedachte aan bepaalde Portugezen en Spanjaarden die hij in vroeger tijden had gegeten, vooral paters en ambtenaren van de Kroon, die bij hem thans een ranzige, bijna talkachtige herinnering wekten van een sterke zweetgeur en niet weg te krijgen stank” (32)…. En de jacht op die Hollanders was voor Cabiroba een edel ambacht. Wanneer “de gouden lokken van een van die korenblonde hoofden tussen de takken door wuifden, of wanneer de traag bewegende gestalte van een van hen bleef staan om in de lucht te snuffelen als een onvoorzichtig hert, ontwaakte […] het jachtinstinct van de caboco, zijn hart sprong op en zijn mond werd droog bij het vooruitzicht op het besluipen, grijpen en slachten van dat mooie dier, dat met zijn hardnekkige en sluwe verzet de meest transcendente en edele facetten van de jachtkunst onderlijnde. Als hij het dan tenslotte in een hoek had gedreven en met een zo snel mogelijke slag afmaakte, waarbij hij soms nog de betekenisloze klanken kon horen die het uitstootte alvorens de definitieve klap te ontvangen, werd caboco Capiroba vervuld van trots en ontzag voor zijn prooi, en vaak sprak hij tijdens het eten over de sierlijkheid van zijn gedrag….(33).

Om trots op te worden, niet dan? Teer en zacht, sierlijk, mooi…… daar kunnen die Portugezen en Spanjaarden nog een puntje aan zuigen! Dat staat voor tenminste drie verloren voetbalmatches, zoals we ze in het zeventiende-eeuwse Brazilië in het stof lieten bijten! Nu nog een hymne en de UNESCO aan het werk zetten!

Ton Salman is voormalig hoofd van de afdeling Sociale en Culturele Antropologie, Vrije Universiteit Amsterdam

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *