Antropologen, historici en de hartslag van het archief

 

foto door Jeff Medaugh
foto Jeff Medaugh

Door Herman Roodenburg

Bij leerstoelen horen oraties. Vandaar dat ik onlangs, op 18 september, in een aangenaam volle zaal, mijn oratie hield als bijzonder hoogleraar ‘Historische Antropologie en Etnologie van Europa’. In mijn oratie had ik het over de wederzijdse interesse van antropologen en historici voor elkaars disciplines.

Uiteraard is niet iedere antropoloog geïnteresseerd in geschiedenis, en onder historici zijn het eigenlijk alleen de zogeheten ‘cultuurhistorici‑nieuwe‑stijl’, de historici die een breed, antropologisch cultuurbegrip hanteren, die bewust de antropologen volgen.

De geschiedenis van die wederzijdse belangstelling is echter buitengewoon boeiend. Ze werd door Michael Herzfeld eens omschreven als een langdurige, flirterige pas‑de‑deux. Ik onderscheid drie fases in dat gezamenlijke ballet: de ‘entrée’ (in de jaren zestig), het ‘adagio’ (in de jaren tachtig) en, tenslotte, de ‘individuele variaties’, alles wat zich nu afspeelt. Wat me zorgen baart, is dat juist op dit moment de dans blijft steken in die solistische variaties.

Omdat ik zelf historicus ben, heb ik vooral gekeken naar wat de antropologie voor de cultuurhistorici heeft betekend. Het verhaal begint in de vroege jaren zestig, toen de nog jonge historicus Keith Thomas reageerde op een lezing van Edward Evans‑Pritchard. De laatste had bepleit dat geschiedenis en antropologie weer verenigd zouden worden na het ahistorische functionalisme van Bronislaw Malinowski en Alfred Radcliffe‑Brown.

Thomas was het geheel met hem eens: antropologie zou geschiedenis moeten zijn, geschiedenis antropologie. In het bijzonder de historici die onderzoek doen naar alledaagse cultuur, schreef hij, konden profiteren van de antropologie.

Over die alledaagse cultuur is immers heel wat minder bewaard gebleven in archieven en bibliotheken dan over de ‘hoge’ cultuur. Kortom, meer dan hun collega’s moesten de antropologisch georiënteerde historici vertrouwen op hun historische verbeelding. En juist daar bewees de antropologie haar nut, kon ze die historische verbeelding ondersteunen.

Ten eerste kon de antropologie verbanden leggen tussen dikwijls zeer verschillende verschijnselen, doordat ze die verschijnselen altijd onderzocht als deel van grotere gehelen.

Ten tweede verrichtten antropologen veldwerk, volgens Thomas het enige wezenlijke verschil met de geschiedwetenschap. Antropologen konden de bewuste verbanden met eigen ogen waarnemen en ze ook nog eens ter plekke nader onderzoeken. Dat konden de historici niet, maar waar ze bijvoorbeeld vergelijkbare verschijnselen, zoals hekserij, onderzochten, kon het antropologische onderzoek hen attenderen op aanwijzingen voor zulke verbanden, aanwijzingen die ze anders in hun bronnen hadden gemist.

In de jaren tachtig, toen de linguïstische wending zich aandiende, keken de cultuurhistorici,  om hun historische verbeelding te schragen, opnieuw naar de antropologie. Vooral Clifford Geertz en zijn interpretatieve antropologie trokken de aandacht. Er mocht dan weinig bewaard zijn gebleven over de levens van gewone mensen, allerlei ceremonies en rituelen hebben veel meer sporen achtergelaten, en die konden volgens Geertz heel precies ‘gelezen’ worden als evenzovele symbolische constructies. Hoewel andere cultuurhistorici hun bedenkingen hadden bij Geertz, was deze tweede periode in de onderlinge pas‑de‑deux beslist een hoogtepunt.

Het groeiende verzet tegen de linguïstische wending dat daar, in de antropologie, op volgde, kon echter veel minder cultuurhistorici  bekoren. Ze tonen nog steeds weinig interesse in fenomenologische en verwante benaderingen uit de geestes- en sociale wetenschappen. Er is een ‘anthropology of embodiment’, maar geen ‘history of embodiment’, een ‘sensuous anthropology’ maar geen (of nauwelijks een) ‘sensuous history’. Evenzo bestaat er geen werkelijke ‘history of the emotions’, geen interesse in de huidige neurowetenschappen. Op die laatste ontwikkelingen ga ik uitvoeriger in in de nog te verschijnen gedrukte versie van mijn oratie.

Herman Roodenburg is bijzonder hoogleraar historische antropologie en etnologie van Europa aan de Vrije Universiteit.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s