Maarten op veldwerk: een etnografie van de collegezaal

Door Maarten Deprez Hier pik ik de draad weer op die ik twee weken geleden heb laten rusten. In dezelfde exotiserende stijl ga ik verder met de beschrijving van de “bijeenkomst” die ik bijwoon in het “grote huis” aan de rand van Amsterdam. Hoewel ik ondertussen al meer dan een jaar “participerende geobserveerd” heb in deze setting, is dit de eerste keer dat ik zulke systematische, gedetailleerde fieldnotes produceer — in totaal vier bladzijden in de compacte, onleesbare stijl waarvoor ik bekend sta onder mijn medestudenten —, en misschien ook wel de eerste keer dat ik me zó erg amuseer dat ik het niet kan helpen dat mijn binnenpretjes soms buitenpretjes worden…

Samen met vier andere mensen ga ik het afgescheiden compartiment van het gebouw binnen, waar de activiteit zal plaatsvinden. Het lijkt wel of alles rechthoekig is. De ruimte heeft een rechthoekig grondplan, wordt omgeven door vier rechthoekige muren, en is bedekt met een rechthoekig, volledig horizontaal gelegen dak. In feite bevinden we ons aan de binnenkant van een holle balk. Het vlak tegenover de deuropening is bekleed met slordig opgehangen tapijten; de andere wanden zijn in steen opgetrokken.

Loodrecht op de wand waar de deuropening zich bevindt, zijn een aantal rijen planken opgezet in een intrigerend quasi‑regelmatig patroon. Het geheel vormt een ingenieuze constructie die bijna de hele ruimte vult. Elke rij bestaat uit een grote verticale plank over de hele lengte, met een smallere horizontale plaat er bovenop bevestigd, uitstekend aan één kant, en aan de andere kant individuele tweetallen planken — telkens een grote en een kleine — er zijdelings tegenaan gehangen. De laatste rij aan de linkerkant mist echter het horizontale vlak, en bij de meest rechtse rij ontbreken de twee verticale planken. Verder rechts staan twee altaren, eentje laag en breed, het andere hoger en smaller, en tegen de rechtse muur hangen twee grote groene platen bevuild met kalkvlekken en ‑strepen die mogelijk een magische betekenis hebben.

Ondertussen stromen langzaamaan meer mensen binnen. De klederdracht is beslist bont te noemen, en de meesten dragen een stoffen buidel bij zich. Sommigen dragen een sieraad bestaande uit een draad met een bolletje eraan, dat in het oor vastgeduwd wordt zodat de draad naar beneden bungelt. Behalve gesprekken in het inheemse dialect, herken  ik  ook woorden in het iŋliʃ (weergegeven in het Internationaal Fonetisch Alfabet) — een taal die me gelukkig niet geheel onbekend in de oren klinkt.

Ik zie dat sommige mensen aarzelend blijven staan, terwijl anderen zich tussen de rijen planken begeven, vervolgens de kleine verticale vlakken tot horizontale stand ombuigen, en een bijzondere, ietwat groteske houding aannemen: ze zetten hun achterwerk op het kleine vlak, plaatsen hun benen in een hoek, en leunen achterover tegen het grotere vlak. Enkelen van hen toveren vanuit deze houding allerlei attributen te voorschijn uit hun buidels en spreiden ze uit op het vlak voor zich. Meteen wordt duidelijk waarom aan de rechterkant een extra vlak geplaatst is. Als participerend observant probeer ik hen na te volgen, maar krijg al snel last van rugpijn. Het gaat ongetwijfeld om een werktuig voor zelfkastijding, waarmee de adept, door het verduren van een lichte pijn, tot dieper inzicht komt.

Terwijl nieuwe mensen blijven binnendruppelen, alleen of in kleine groepjes, merk ik een man op — laten we hem voor het gemak “Freek” noemen — die zich afwijkend gedraagt. Hij lijkt ouder dan de meeste, over het algemeen jeugdige deelnemers. Enkele mensen, waaronder ikzelf, begroeten hem; sommigen gebruiken zijn voornaam, terwijl anderen hem als “meneer Colombijn” aanspreken — een onmiskenbare verwijzing naar het gevleugelde diertje dat symbool staat voor vrede, vrijheid en liefde. Later zal duidelijk worden dat hij daadwerkelijk de leider is van de congregatie.

Tegen de verwachtingen in, blijft Freek met zijn gezicht naar zijn volgelingen staan. Net als hen begint hij een aantal spullen uit te laden, die hij uitstalt op het lage altaar voor zich. Vervolgens loopt hij even heen en weer, blijft voor het hoge altaar staan, maakt een aantal magische gebaren en staart naar een rechthoekig voorwerp dat me eerder al opgevallen was vanwege de onverklaarbare aantrekkingskracht die het op me uitoefent.

Plotseling komt op de muur voor me, onder begeleiding van een angstaanjagend lawaai dat niettemin een vaag déjà‑vu gevoel oproept, een blauwachtig, flikkerend licht tevoorschijn — een verschijning die, je zal het niet geloven, alweer rechthoekig van vorm is. Uiterst stresserend, de hoekigheid van deze micro‑cosmos. Hoewel de contouren van het schijnsel constant blijven, varieert de inhoud in kleur en vorm. Na een tijdje verschijnen symbolen die ik als Latijnse schrifttekens herken. “The environment”, ontcijfer ik.

Ondertussen probeert een jongedame die zich naast me in het marteltuig heeft gewrongen, (in het neːdərlɑnds) een gesprek met me aan te knopen. Wanneer ik haar uitleg waar ik mee bezig ben, vraagt ze me op te schrijven dat ze een goeie student is. Ze geeft me een van die met zwarte inscriptie ontsierde schijfjes boom die alom als relikwieën circuleren in dit koninginnerijk, en vraagt me het te lezen — een kans om extra informatie te vergaren voor mijn onderzoek, die ik uiteraard (letterlijk) met beide handen (maar slechts met een half oog) aanneem.

Freek wrijft ondertussen een voorwerp over de linkse groene plaat om de kalk over de hele oppervlakte te verspreiden. Wanneer hij daarmee klaar is, keert hij zich naar de verzamelde gemeenschap en verstart een ogenblik voor hij, op een nauwelijks overtuigende beveltoon, stamelt: “aɪ wəd laɪk tʊ stɑɹt”. Zijn commando is nog niet uitgesproken of het geroezemoes begint langzaamaan te verstommen. Kennelijk is hij een figuur met autoriteit. Mijn tijdsdoosje (dat enkele eenheden voor is op de andere) geeft “11:08” aan. De frequentie waarmee nieuwe gelovigen toekomen is ondertussen sterk teruggelopen, en Freek sluit de deuropening af met een houten plank.

Vanaf nu krijgt het hele gebeuren, afgezien van een kleine opstand halverwege, iets monotoons. Misschien dienen de marteltuigen wel om de toeschouwers wakker te houden — iets waar ze kennelijk niet geheel in slagen. Het zij gezegd dat ik, ware het het niet dat uw en mijn aandachtsspanne beperkt zijn, uren zou kunnen doorgaan met een gedetailleerde beschrijving van alles wat ik kon registreren; maar aangezien ik denk dat de belangrijkste punten reeds duidelijk naar voren gekomen zijn, zou ik willen afsluiten met een korte analyse van Freeks discours — want vanaf dit moment is hij het die, in een wonderlijk samenspel met de geestesverschijning op de muur, de show steelt.

En een getalenteerd sjamaan, een meester van het ritueel, is hij zeker. Hij staat dan ook bekend als een goede “docent”. Begeleid door occasioneel onderdrukt gekuch en nu en dan een gefluisterde opmerking van zijn aanhangers, voert hij een gecompliceerd ritueel uit, met een uitgekiende choreografie — in feite een studieonderwerp op zich — die niettemin ruimte laat voor de nodige improvisatie.

Toch is het vooral zijn fijnzinnige retoriek — allemaal in het iŋliʃ — die de deelnemers imponeert. Om de schrik erin te krijgen, begint hij met een verwijzing naar een soort dag des oordeels die ekzem wordt genoemd. Wat volgt is één langgerekte donderpreek waarin hij wijst op de eindigheid van onze natuurlijke hulpbronnen en, inspelend op het schuldgevoel van de toehoorders, oproept tot matigheid wat consumptie betreft, maar ook, in tegenstelling tot katholieke priesters, in het maken van nakomelingen. Om de gevoelsmatige afstand tussen hemzelf en de gelovigen te verkleinen, bekent hij dat hij op dat laatste punt gezondigd heeft: zijn gezin telt meer dan twee kinderen, en draagt dus bij aan de overbevolking. Ook laat hij ruimte voor vragen en twijfels, die hij vervolgens probeert weg te nemen.

Na de bijeenkomst zit ik met de vraag hoe het nu verder moet met mijn onderzoek. Ik heb het gevoel heel wat te weten te zijn gekomen — en hoop dat de lezer daar een deel van heeft opgepikt —, maar mis tegelijk een stuk theoretische basis. Misschien bestaat er wel eerder werk dat me houvast kan bieden. Dat zal dan ook mijn volgende stap zijn: ik ga op zoek naar literatuur. Wordt vervolgd.

Maarten Deprez is student Sociale en Culturele Antropologie aan de Vrije Universiteit. Dit artikel is een vervolg op zijn beschrijving van Amsterdam.

Advertenties

One thought on “Maarten op veldwerk: een etnografie van de collegezaal

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s