Seminar Feministische Antropologie: Fascinaties en frustraties

Afscheid van Marion den Uyl

Door Ina Keuper. Op vrijdag 14 september organiseerde de afdeling SCA het goedbezochte seminar Feministische Antropologie: Fascinaties en frustraties vanuit persoonlijk, maatschappelijk en academisch perspectief. Deze bijeenkomst werd georganiseerd omdat Marion den Uyl na 24 jaar universitair docentschap de afdeling gaat verlaten vanwege het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Op verzoek van Marion waren drie feministische antropologen – elk van een verschillende generatie, en met een verschillende regionale expertise – uitgenodigd om te reflecteren op hun fascinaties en frustraties rond de feministische antropologie. Na hun presentaties en een korte discussie gaf Marion een afscheidscollege.

De eerste presentatie werd verzorgd door José van Santen, universitair docent bij de afdeling Culturele Antropologie van de Universiteit Leiden en van de oudste generatie. Zij ging in op het theoretisch kader dat Marion in haar professionele loopbaan heeft gebruik om nu uit te komen bij een fascinatie voor ‘motherhood’. Zij koppelde dit aan haar eigen fascinaties en frustraties aan de hand van een discussie over de beoordeling van een masterscriptie over onder meer de beleving van zwangerschap en ‘transnational motherhood’. José was als tweede lezer over de beoordeling van de scriptie in discussie geraakt met de scriptiebegeleid(st)er omdat daarin, ondanks dat dit gezien het onderwerp voor de hand lag, geen aandacht besteed was aan genderrelaties.  Hoewel José zeker waardering had voor het werk van de studente, vond zij het betreurenswaardig en frustrerend dat in een scriptie over een dergelijk onderwerp geen gebruik was gemaakt van theoretische inzichten uit de feministische antropologie en genderstudies. Nóg meer bezwaarlijk vond zij het dat de scriptiebegeleid(st)er deze omissie niet had opgemerkt en daar ook geen belang aan hechtte. Ze gaf diverse interessante voorbeelden van hoe verschillende gendertheorieën de beschrijving en analyse van de veldwerkdata van de betreffende studente aanzienlijk had kunnen verdiepen. José wilde met haar relaas laten zien dat anno 2012 het rijke gedachtegoed van de feministische antropologie nog steeds niet alom erkend wordt. Zij verbaasde zich erover dat ondanks de aandacht voor gender in alle antropologieopleidingen in Nederland het blijkbaar nog steeds mogelijk is dat studenten en collega’s geheel voorbijgaan aan de verworvenheden van dit deelterrein in de antropologie, ook bij onderzoeksonderwerpen die daar heel direct mee te maken hebben. Zij vroeg zich af of we terug zijn bij de genderblinde antropologiebeoefening van de jaren zestig. Gezien het feit dat het soms lijkt of we weer terug bij ‘af’ zijn, noemde ze Marions wens om door te gaan met schrijven over de onderwerpen die haar boeien bijna een noodzaak. Ze hoopte wel voor Marion dat zij dit nu in een wat rustiger tempo zou gaan doen.

Lorraine Nencel, universitair docent kwalitatieve onderzoeksmethoden bij de afdeling Sociologie van de Vrije Universiteit, ging als vertegenwoordiger van de tweede generatie in op het verleden, heden en de toekomst van de feministische antropologie in Nederland. Zij memoreerde hoe in het midden van de jaren zeventig aan alle universiteiten cursussen feministische antropologie werden opgestart. De op een dia getoonde kaften van de basisboeken die destijds in deze cursussen werden bestudeerd, zoals Woman, Culture and Society van Rosaldo en Lamphere (1975) en Toward an Anthropology of Women van Reiter (1974), riepen bij het publiek veel herkenning op. Ze noemde ook het onderzoeksproject ‘Vrouwen en ontwikkeling’ aan de Universiteit Leiden en de bundeling van werkstukken van studenten antropologie aan de Universiteit van Amsterdam in het boek Vrouw in zicht (1977). In de jaren tachtig verkregen feministische antropologie en genderstudies steeds meer erkenning in het universitaire onderwijs, zodat in de jaren negentig vanwege de ‘mainstreaming’ aparte gendervakken niet meer nodig werden geacht. Ook op de internationale congressen van antropologen verdwenen langzamerhand de aparte panels over feministische antropologie en genderstudies. De vereniging LOVA, in 1979 ontstaan als Landelijk Overleg Vrouwenstudies in de Antropologie, kreeg steeds meer moeite met de term vrouwenstudies en veranderde in 2008 de naam in LOVA, Nederlandse Vereniging voor Genderstudies en Feministische Antropologie. Voor de toekomst schetste Lorraine haar fantasie dat, analoog aan de discussies over onderzoeksmethoden en het weergeven van resultaten daarvan en daarover – van ‘epistemology’ naar ‘epistemologies’ – er ook steeds meer ruimte zal komen voor verschillende visies en benaderingen in de feministische antropologie: van ‘feminist anthropology’ naar ‘feminist anthropologies’.

De derde presentatie werd gegeven door Marina de Regt, per augustus 2012 universitair docent bij de afdeling SCA van de Vrije Universiteit. Zij sprak als vertegenwoordiger van de jongste generatie en ook in haar hoedanigheid van voorzitter van de vereniging LOVA. Zij was in de jaren tachtig als studente aan de Universiteit van Amsterdam in aanraking gekomen met de feministische antropologie en geïnspireerd geraakt door de door Lorraine genoemde boeken en door twee themanummers feministische antropologie van het tijdschrift Antropologische Verkenningen uit 1986 en de uitgaven van Socialisties-Feministiese Teksten. Na haar studie werkte Marina bij ontwikkelingsprojecten in Jemen en heeft ze op basis van die ervaring nadien promotieonderzoek gedaan onder vrouwen werkzaam in de primaire gezondheidszorg in Hodeidah, Jemen. Ze legde haar dilemma over de presentatie van dit onderzoek uit: vrouwen of gender als eerste invalshoek? Ze besloot tot het laatste, want over vrouwen kun je niet schrijven zonder ook mannen erbij te betrekken. Ook vertelde Marina over haar fascinatie en frustratie toen ze bij de Universiteit van Amsterdam in 2000-2002 was aangesteld voor het promotieonderzoek en zag dat nog steeds meer mannen dan vrouwen werkzaam waren in de wetenschappelijke staf bij de afdeling antropologie. Hoe was dit mogelijk na zoveel jaren van positieve actie? Marina beëindigde haar presentatie met haar fascinatie en frustratie betreffende het uitgangspunt in het feministische onderzoek dat onderzoeksresultaten dienen te worden teruggegeven aan de onderzochten, opdat niet alleen de onderzoekers maar ook de onderzochten baat hebben van het verrichte onderzoek. Zij had haar dissertatie omgewerkt tot een publicatie in het Arabisch zodat het toegankelijk zou worden voor Jemenitische lezers en nadien had ze gewerkt aan een film over huishoudelijke arbeidsters uit Ethiopië in Jemen. In beide gevallen bleek haar hoe moeilijk het is om écht de resultaten van je werk als onderzoeker terug te geven aan de onderzochten.

Het afscheidscollege van Marion den Uyl had als titel: Moeders van de Bijlmer, verguisd en vereerd. Na een korte reflectie op haar vele jaren van onderwijs geven, vertelde Marion over het onderzoek dat zij de laatste jaren heeft gedaan in Amsterdam Zuidoost, ofwel de Bijlmer. Dat ze in verband daarmee ook naar Ghana en de Nederlandse Antillen is gereisd. Ze schetste hoe in diverse publicaties van de gemeente Amsterdam het veelvuldig voorkomen van éénoudergezinnen, veelal van  alleenstaande moeders, als een van de belangrijkste oorzaken van diverse problemen in deze stadswijk wordt aangemerkt. Uit interviews van studenten voor hun tweedejaars onderzoekspracticum van de bacheloropleiding antropologie aan de VU kwam een heel ander beeld naar voren. In deze interviews met meiden en jongerenwerkers in de Bijlmer werden alleenstaande moeders eerder als helden gezien dan als veroorzakers van problemen. De meiden noemden vooral de kracht die deze moeders uitstraalden. Marion ging daarna dieper in op onderzoeksgegevens betreffende opvattingen over alleenstaande moeders van Antilliaanse en Ghanese herkomst. Bij de Ghanezen is het percentage alleenstaand moederschap het hoogst; dit familiepatroon is verbonden met het matrilineaire verwantschapsmodel van de Ashanti in Ghana, waarin respect voor de moeder, voor vrouwen en voor ouderen en voorouders van groot belang is. Ook christelijke (pinkster)kerken dragen bij aan het handhaven van strikte leefregels. In Nederlandse ogen is er bij de Ghanezen in de Bijlmer sprake van een ‘strenge’ opvoeding. De Ghanese jeugd doet het goed in de Bijlmer, zij veroorzaakt geen problemen. Drie Ghanese jonge vrouwen zijn bij de laatste verkiezingen verkozen in de stadsdeelraad van de gemeente. Ook bij de Antillianen in de Bijlmer komt alleenstaand moederschap veel voor; dit is verbonden met het matrifocale familiemodel dat op de Nederlandse Antillen gangbaar is, onder meer vanwege het slavernijverleden. In de matrifocale familie staan de moeders centraal, maar is er ook een mannelijkheidsidioom waarin viriliteit hoog geacht wordt. Vrouwen krijgen al jong kinderen, tienermoeders komen veelvuldig voor. In Nederland leven de moeders en hun kinderen meer zelfstandig dan in op Curaçao; dat heeft voor- en nadelen. Enerzijds zijn de moeders daardoor vrijer in hun doen en laten en de opvoeding van hun kinderen, anderzijds kennen ze hier ook meer eenzaamheid en moeten ze problemen met de kinderen vaker alleen oplossen. Mede hierdoor komen relatief veel Antilliaanse jongens op het slechte pad. Met deze verhalen wilde Marion een meer genuanceerd beeld geven van het alleenstaand moederschap in de Bijlmer dan in de rapporten van de gemeente Amsterdam met hun ongedifferentieerde ‘criminogeniteitsindex’ naar voren komt. Het laten zien van de verschillende achtergronden en omstandigheden van alleenstaand moederschap is een belangrijke bijdrage die juist de antropologie kan leveren. Daarom blijft de antropologie haar fascineren.

Aan het eind van de bijeenkomst werd Marion den Uyl toegesproken door Thijl Sunier en Lenie Brouwer, respectievelijk hoofd en collega van de afdeling SCA. Thijl memoreerde dat Marion jarenlang onderwijsmanager was geweest en ook als lid van de examencommissie een belangrijke bijdrage heeft geleverd. Lenie vermeldde dat Marion in de afgelopen 24 jaar elk jaar wel een of twee cursussen heeft verzorgd en zo honderden studenten heeft lesgegeven. Ook heeft ze vele studenten begeleid bij het schrijven van hun scriptie. Zij roemde Marions kennis over verwantschap en hoe zij dit antropologische kernconcept met gender heeft verbonden.

Na al deze mooie woorden kwam er nog een aparte verrassing voor Marion. Zij kreeg het erelidmaatschap toegekend van LOVA, Vereniging voor Genderstudies en Feministische Antropologie. Ten teken daarvan ontving zij de LOVA-speld, die slechts vier keer eerder uitgereikt werd aan antropologes met een grote staat van dienst in de Nederlandse feministische antropologie: Cora Vrede-de Stuers, Joke Schrijvers, José van Santen en Willy Jansen. Marions jarenlange inzet voor de vereniging werd uiteengezet en ook werd aangekondigd dat het komende nummer van het LOVA Tijdschrift een afscheidsnummer voor Marion zou worden. Bij de borrel genoot Marion na van de lovende woorden die haar waren toegesproken, het verkregen LOVA-erelidmaatschap en voerde ze gesprekjes met veel mensen die naar deze bijzondere bijeenkomst waren gekomen om haar gedag te zeggen.

De LOVA-website:  http://www.lovanetwork.nl/

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s