Gelooft u in God? Een open vraag

 

kerk

Door André Droogers
Dagblad Trouw publiceert de resultaten van een onderzoek naar levensbeschouwing in Nederland. Ik neem de uitkomsten met een half onsje zout. Dat komt door de gevolgde onderzoeksmethode èn de geheel eigen aard van het onderwerp.
In de sociale wetenschappen wordt onderscheiden tussen kwantitatieve en kwalitatieve onderzoeksmethoden. Sociologen, politicologen en psychologen gebruiken meestal de eerste, antropologen – mijn soort – de tweede. Wat je vindt, hangt af van je methode. Beide benaderingen hebben hun sterke kanten èn hun beperkingen. Overigens komen steeds meer combinaties voor.

Bij de kwantitatieve benadering is de stelregel dat meten weten is. Wat niet te meten is, wordt niet geweten. Trouw zet de gemeten onderzoeksresultaten op de voorpagina: 25% atheïst, 31 % agnost, 27% ietsist en 17 % gelovige.

De sterke kant van kwantitatief onderzoek is dat het representatief is. Het aantal geïnterviewden is groot. Dat is ook nodig, omdat de vooronderstelling is dat iemands stellingname verband houdt met diens persoonskenmerken, zoals opleiding, sekse of leeftijd. Bij een groot aantal kan dat verband worden gelegd, omdat pas dan alle factoren voorkomen.

Hoewel gepresenteerd in de stijl van ‘de Wetenschap heeft aangetoond’, vertoont kwantitatief onderzoek ook beperkingen. Zo is een voorwaarde bij dit type onderzoek dat iedere respondent de vraag op dezelfde manier begrijpt. Dat lukt echter alleen bij ondubbelzinnige gegevens als sekse en leeftijd, nauwelijks als levensbeschouwelijke vragen worden gesteld – zoals in het Trouw-onderzoek.

Daar zit tegenwoordig een extra beperking. Zoals de onderzoekers zelf aangeven, is er steeds meer speelruimte gekomen voor de vulling van het eigen levensbeschouwelijke rugzakje. De individualisering zorgt voor grotere variatie dan ooit heeft bestaan. Bovendien zijn begrippen die vroeger tamelijk eenduidig waren, zoals God of geloof, nu deel geworden van de levensbeschouwelijke discussie. Dat maakt het tricky om zulke begrippen in vragenlijsten te gebruiken. De vraag ‘Gelooft u in God?’ is geen ja/nee/weet-niet—vraag meer.

Een beperking is verder dat de gebruikte categorieën gepresenteerd worden als bewezen uitkomst, terwijl ze primair getuigen van een model dat de onderzoeker vooraf al koos. Daardoor lijkt het erop dat wat er uit komt, er bij voorbaat in is gestopt. Het Trouw-model onderscheidt tussen atheïsten, agnosten, ietsisten en gelovigen. Terwijl de definities van deze vier typen niet echt waterdicht zijn, bepaalde die indeling wel de formulering van de vragen.

Kwalitatief onderzoek is ook niet zaligmakend. Representativiteit is bij deze aanpak geen voorwaarde. Men werkt met kleine aantallen informanten. Maar representativiteit is niet alles. Zoals de Braziliaanse wetenschapper Rubem Alves een keer in dit verband opmerkte: ‘Om te weten hoe een appel smaakt, hoef je geen kist appelen te eten’.

De sterke kant van kwalitatief onderzoek is dat zichtbaar wordt wat niet meetbaar is. Neem bijvoorbeeld iemands levensgeschiedenis. Die bepaalt zijn of haar individuele kijk op levensbeschouwing.

Het gaat bij kwalitatief onderzoek om verdieping, niet om representatieve breedte; om afwijkingen, niet om aantoonbare correlaties. De nuances die in onze tijd op levensbeschouwelijk terrein bestaan, roepen om kwalitatief onderzoek. Hoewel gebrandmerkt als ‘soft’, levert het relevante kennis op, vooral als afwijkingen eerder regel dan uitzondering worden.

Dat ‘softe’ kan komen door de vermeend subjectieve methode. In kwalitatieve interviews is er interactie tussen onderzoeker en onderzochte. Bij kwantitatief onderzoek is dat, uit vrees voor beïnvloeding, een doodzonde. De meeste kwantitatieve onderzoeken lopen tegenwoordig via internet, zonder persoonlijk contact. Bij kwalitatief onderzoek is ‘rapport’ juist een bron van informatie, helemaal in levensbeschouwelijk onderzoek.

Uiteindelijk gaan de twee benaderingen terug op tegengestelde en misschien wel complementaire wetenschapsopvattingen. De ene is natuurwetenschappelijk en gericht op regelmaat. Zoals in een laboratorium kijk je welke factoren een rol spelen en hoe. De andere opvatting ziet de mens als unieke betekenisgever, die in zekere mate regelgestuurd is, maar ook in staat is flink af te wijken van die regels, zelfs als die door mensen ingesteld zijn. Zoals bij een eenduidig godsbegrip…

Gelooft u in Trouw?

André Droogers is emeritus hoogleraar bij de afdeling Sociale en Culturele Antropologie van de VU. Deze column is ook verschenen op zijn blog Religie, macht, spel.

 

 

 

Advertenties

2 thoughts on “Gelooft u in God? Een open vraag

  1. Dvora Yanow 28/01/2015 / 11:33

    I have no problem with Professor Droogers’ overall argument, only with the way in which he sets it up. I had assumed — apparently wrongly — that it was common knowledge that both sociologists and political scientists do “qualitative” research and not only “quantitative” research. As a political and organizational ethnographer, I very much interact with the participants in my research settings. Secondly, the dividing point can no longer be said to be the difference between ‘quantitative’ and ‘qualitative’ methods. If they apply to anything at all, those two terms apply to the character of the data generated by a researcher, not to the methods. As Prof. Droogers no doubt knows, ethnographers also count things — the number of people in a community, for instance. The two terms have become place-holders for methodological distinctions, between those who approach research settings assuming they are ontologically real and can be known objectively, and those who assume that the SOCIAL world is ontologically inter-subjectivist and can be known only through interpreting what one sees, hears, experiences, etc. It is these differences that contribute to the research difficulties Prof. Droogers rightly [in my view] notes.

  2. drs ing Henk Uijttenhout 28/01/2015 / 20:33

    “Meten is weten, gissen is missen” is typisch een uitdrukking uit de techniek. Elke bedrijfstak heeft een scala aan meetinstrumenten. Statistische methoden en technieken zijn daaraan aangepast. Het gaat vooral om het meten van de kwaliteit in stadia van een productieproces en grondstoffen, halfproducten en voorwerpen hebben geen mening.
    N.J. Molenaar, Swanborn, Yin schieten me te binnen en ik blader in die boeken en syllabi. Het gaat om uiteenlopende methoden en, uiteraard, meestal over mensen en hun bevindingen of meningen. Vele factoren bepalen welke onderzoeksmethode je kunt of moet gebruiken en waarom. Ik had soms het gevoel te meten met een elastieken meetlint en had behoefte extra kritisch te moeten zijn t.a.v. de methoden en uitkomsten van (mijn) onderzoek. Dat is goed, lijkt mij.

    Wikipedia: “Het ietsisme is het geloof in een metafysische kracht. Ietsisme is een algemene term voor uiteenlopende overtuigingen waarbij mensen “aannemen” dat er “iets” is “tussen hemel en aarde”, zonder een welbepaalde religie aan te hangen. Een ietser is een gelovige die orthodoxe goden links laat liggen, maar voor zijn zingeving behoefte houdt aan iets transcendents dan wel gelooft dat er aan al het bestaande een transcendente en absolute maar onbenoembare kracht ten grondslag ligt.”
    En wie zich agnost kan noemen? Weet men eigenlijk wel waarom men heeft gekozen voor een bepaalde categorie?

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s