Koloniale tijden

DSCN4729klein
Nationaal Museum Burundi. ©Myrna Derksen

Door Myrna Derksen  Ik ben zo iemand die bij een museumbezoek als laatste het museum uitkomt, terwijl m’n gezelschap allang verveeld drie rondjes door de museumwinkel heeft gelopen zonder iets te kopen. Toen ik ruim een jaar geleden tijdens mijn eerste lessen antropologie leerde dat de eerste musea vaak tentoonstellingen waren van de kennis van vroege antropologen kon ik wel een dansje doen op m’n stoel. In elke stad waar ik kom wil ik minstens één museum zien – nou ja, zien – uitpluizen, het liefst zo oud en knullig mogelijk.

Burundi is niet erg ingesteld op toeristen. Het is een klein landje, ingeperst tussen de DRC, Tanzania en Rwanda, dat pas sinds tien jaar, na het eindigen van een burgeroorlog in 2005, aan het opkrabbelen is uit vele jaren van regelmatig terugkerend, gewelddadig conflict. Nu ben ik hier niet als toerist. Ik doe mijn masteronderzoek in een klein dorpje, wat hier een stad genoemd wordt, genaamd Rutana, in de commune Rutana, in de provincie Rutana, om het makkelijk te houden. Als ik vraag of er veel toeristen komen, wordt er enthousiast geknikt, want er zijn wel drie toeristische attracties in de provincie: watervallen, één of andere rots en de bron van de Nijl. Ik ben hier nu bijna twee maanden en ik heb nog geen toerist gezien, terwijl ik toch in hét toeristenhotel van het dorp woon.

Vorige week heb ik de tweede stad van het land bezocht; Gitega. Daar zijn twee toeristische attracties: de beroemde Burundese trommelaars, die werkelijk een spectaculaire show neerzetten, en – en daar kwam ik voor – het Nationaal Museum. Het museum bestaat al sinds 1955 en is geopend door de Belgische kolonisatoren, een kleine zaal vol met donkerhouten vitrinekasten, foto’s van Barundi (de etnische groep aan wie het land haar naam ontleent) van rond het begin van de kolonisatie, tientallen potten, manden, wapens en een doormidden gebroken maquette van Rwanda en Burundi.

De gids leunt rustig met twee handen op de slagtanden van een nijlpaardenkop, terwijl hij z’n verhaal doet. Enthousiast vertelt hij dat vrouwen voor de missionarissen Burundi bezochten geen bovenkleding droegen, zodat de mannen konden zien dat ze niet zwanger waren, terwijl hij met z’n vingers om de tepels van een vrouw op een foto cirkelt. Wij, vier vrouwen, worden er een beetje ongemakkelijk van. De gids heeft dat waarschijnlijk niet in de gaten, want, volgens de Barundi, praten Mzungu (blanken) erg makkelijk over seks, heb ik me laten vertellen. Vervolgens neemt hij ons mee naar een foto van een vrouw die dan weer enigszins overdressed is naar mijn smaak. Haar beiden armen zijn van onder tot boven behangen met armbanden en ook om haar benen zitten enorme stoffen ringen. Hij doet voor dat vrouwen wanneer ze zich zo kleedden een beetje onhandig liepen en vertelt dat er in de lokale taal Kirundi met hetzelfde woord naar hen verwezen wordt als waarmee naar een koe verwezen wordt. Ik had deze verwijzing al voorbij horen komen toen ik twee weken geleden aanwezig mocht zijn bij de onderhandeling over de bruidsschat voorafgaande aan een bruiloft. Ik vond het toen eigenaardig, maar nu ik deze wat ongemakkelijk kijkende vrouw op de foto bekijk, begrijp ik het wel.

Terwijl ik nog een rondje door het museum maak, hoor ik m’n metgezellen aan de gids uitleggen dat ik antropoloog ben en het dus allemaal heel erg interessant vind. De gids vindt het echter vooral belangrijk dat ze in het gastenboek schrijven. Ze zijn inmiddels voor een televisiescherm neergezet, waarop een film speelt over dé Burundese cultuur, uit de doeken gedaan door een blanke man. Zwart-wit beelden van wild, om een kampvuur dansende Barundi worden afgewisseld door keurig geposeerde foto’s van koningen en hun entourage.

Ik wilde dat ik als antropoloog even om het hoekje zou kunnen kijken van de tijd van de kolonisatie. Op school leren de kinderen hier dat de kolonisatoren niet kwamen op ruzie te maken, maar om het binnenland van Afrika te ontdekken, om handel te drijven en om de Barundi te leren over God. Sommige docenten geven daar hun eigen draai aan, waarmee duidelijk wordt dat zij iets minder blij zijn met hun koloniale verleden. Hoe zou dat geweest zijn voor de eerste Barundi die een blanke hun dorp zagen binnen wandelen, de eerste keer dat de koning een ontmoeting had met een Duitser, de eerste missionaris die kwam vertellen dat ze al die tijd in de verkeerde God geloofd hadden? En dat van de een op de andere dag de Duitsers vertrokken en de Belgen ervoor in de plaats kwamen? Wat zouden ze gedacht hebben, waar zouden ze het over gehad hebben ’s avonds tijdens het eten? De eersten die de Duitsers over de heuvels zagen komen hebben zich allang herenigd met hun voorouders. Die tijd komt niet meer terug, gelukkig ook maar. Toch is dat misschien wel wat ik zoek in die oude musea: wat de blik in de ogen van de vrouw die een koe genoemd wordt me vertelt over wat zij dacht van die witte man met die enorme camera tegenover haar. Helaas zal ik het nooit weten, maar het kan geen kwaad om te blijven zoeken.

Wil je meer lezen over m’n ervaringen in Burundi? Lees dan hier verder!

Myrna Derksen is masterstudente Sociale en Culturele Antropologie aan de VU.

Advertisements

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s