Skip to content

De man met de rode jas: Over de grenzen van empathie

Door Minke Wiersma – Wanneer de tijd op 14:20 springt op het digitale klokje op mijn nachtkastje, weet ik dat het tijd is voor mijn favoriete moment van de dag. De zon bereikt dan precies mijn balkonnetje op negen hoog. Snel maak ik koffie en pak ik een sigaret om de eerste vitamine D van de lentedag op te vangen. Muziek op, sigaret aan en ogen dicht. Het is een routine die ik al twee jaar koester: een moment van pure vrijheid. Maar zodra het eerste liedje voorbij is en ik mijn peuk in mijn blauwe keramieken asbak-hakje uitdoe, blijf ik altijd nog even zitten. Ik weet namelijk dat er beneden iemand anders is die ook om 14:20 op zijn vaste plek verschijnt: de man met de rode jas.

Zijn felkleurige nylon jas weerkaatst de warme zonnestralen naar negen hoog. Terwijl ik geniet van de zon, zoekt hij in de voortuinen naar zijn geluksmoment van de dag. Soms is het raak in een prullenbak of het gras, soms heeft hij pech. Waar ik verzekerd ben van mijn zonnestraal, is het voor de man met de rode jas elke dag maar de vraag of hij rondkomt.

Al twee jaar lang zie ik hem voorbij lopen met zijn zwarte fiets en zijn prikstok. Voor mijn huis, bij de trams en in de Jumbo waar ik werk; hij is er altijd, zoekend naar blikjes, flesjes of kratten. Het afgelopen jaar zag ik hem steeds regelmatiger, soms wel meerdere keren per dag. Het werd een soort ‘roze olifant-effect’: zodra ik besloot op hem te letten, zag ik hem overal. Ik begon steeds meer over hem na te denken. Waar slaapt hij? Hoe komt hij rond? Waar komt hij vandaan? Ik had het gevoel dat ik iets voor hem moest doen.

Ons verhaal begon echt zo’n drie maanden geleden, toen de eerste zonnestralen schenen op het balkonfeest van mijn broer. Hij woont op dezelfde campus als ik, dus binnen 2 minuten kon ik al mijn eerste blikje bier openmaken. Het was iets over drieën toen de muziek opeens zachter werd gezet en een groep studenten lachend over de balustrade hing. Vijf verdiepingen lager stond de man met de rode jas blikjes te vangen die naar beneden werden gegooid. Waar voor studenten ‘goud’ in het blikje zat, was voor de man het blikje zelf goud waard.

Hij straalde, maar ik kon het niet aanzien. Het voelde als een dierentuin waar bezoekers naar een bijzondere diersoort keken. Waar de studenten dachten een goede daad te verrichten, zag ik iets onterends. Ik verzamelde alle lege blikjes in een vuilniszak, liep naar beneden en gaf hem ‘de zak met goud’. Hij gaf me een brede glimlach en een knuffel. Voor het eerst was er fysiek contact. Ik was niet langer een anonieme kijker vanaf negen hoog; ik was een persoon in zijn wereld geworden. “Bye, Miss, thank you!” riep hij vrolijk terwijl ik wegliep. Dat was onze eerste interactie.

Kort daarna zagen we elkaar weer in de Jumbo. Nu was ik geen vreemde meer, maar een bekende. Het begon onschuldig met een groet en een vraag om muntthee of een koekje. Als bedankje wilde hij een knuffel geven, maar ik knikte altijd vriendelijk nee en gaf hem een boks. Hoewel we elkaars taal niet spraken, voelde ik een connectie.

Maar de vragen werden groter. Eerst vroeg hij in een onduidelijk Arabisch dialect om extra blikjes uit het magazijn. Daarna vroeg hij om handgeschreven statiegeldbonnen met een dubbele waarde van zijn blikjes. Het regende die dag en ik wilde graag wat extra’s voor hem doen, dus ik zei ja en gaf hem 50 euro uit de kassa. De week daarna vroeg hij om nog meer geld, maar ik weigerde omdat ik het geld van mijn baas niet zomaar kon weggeven. Ik voelde me schuldig en had het gevoel dat ik de man had teleurgesteld. Om het schuldgevoel te sussen, gaf ik hem wat gratis blikjes en een boks.

De omslag kwam een week geleden. Ik was gehaast op weg naar college toen ik zijn stem weer hoorde: “Hi, Miss! Can I get a kiss?”. Mijn reactie was gelijk nee, terwijl ik gestrest mijn kapotte fiets probeerde open te krijgen. De man bleef staan en keek om zich heen. Ik voelde lichte spanning in mijn lichaam opkomen. Ik wilde weg. De vraag om een kus was een nieuw soort interactie met hem dat ik nog niet eerder mee had gemaakt. Was een kus geven al die tijd al zijn intentie? Of was het mijn eigen naïviteit die de situatie verkeerd had ingeschat?

Wat voor mij eerst voelde als een kleine gunst voor iemand die het nodig leek te hebben, is veranderd in een belangrijke les. De man met de rode jas is niet langer iemand naar wie ik vanaf negen hoog alleen kijk; hij is voor mij een bekende geworden.

Toch schrok onze laatste interactie mij af, juist omdat het contact in het begin zo mooi was. Het dwingt me om na te denken over mijn eigen intenties. Ik wil graag iets voor een ander doen, maar wat is de juiste manier om te helpen? Is er wel een juiste manier? Ik zag dat mijn goede bedoelingen een effect hadden waar ik niet bij stil had gestaan. Voor mij waren de kleine gebaren een manier om hulp aan te bieden, maar het leek voor de man een kans om bij elke interactie te zoeken naar mijn grens. Een grens waarvan ik niet wist dat die gesteld moest worden, laat staan dat ik een grens had.

Het gevoel van onveiligheid dat ik heb ervaren in het contact met de man met de rode jas nodigt mij uit om na te denken over welke manier ik hulp kan aanbieden, als ik dat wil zonder me daar onprettig bij te voelen. Kan het aangeven of stellen van grenzen hier helpend in zijn?

Over een jaar zit ik misschien weer met een koffie op mijn balkon en zie ik vanaf negen hoog een vrouw in een blauwe jas over de campus lopen, op zoek naar goud in de prullenbakken. Dan hou ik in mijn achterhoofd dat helpen nog steeds kan, maar wel met grenzen.

Minke Wiersma is een eerstejaars bachelorstudent Culturele Antropologie en Ontwikkelingssociologie.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *