Skip to content

Eenakter over het Vliegend Spaghettimonster

door Ton Salman

3 personages: antropoloog 1 (Lily), antropoloog 2 (Anabel), rechter (Veronica).

Onlangs deed de hoogste Nederlandse bestuursrechter, de Raad van State, uitspraak in een hoog opgelopen zaak: hebben aanhangers van de Kerk van het Vliegend Spaghettimonster (zij noemen zichzelf pastafaris), het recht om op hun pasfoto’s een vergiet op hun hoofd te dragen? Zoals ook andere religies het recht hebben om een uitzondering te bedingen op het voorschrift dat het hoofd op zo’n pasfoto onbedekt moet zijn, wanneer er daarvoor godsdienstige of levensbeschouwelijke redenen zijn? De rechter stelde de Kerk van het Vliegend Spaghettimonster in het ongelijk. Het leidde tot verontwaardigde reacties, omdat achter luim en jolijt (en dat is zeker één van de kenmerken van de kerk) ook een zeer ernstige kwestie zit.

Decorontwerp: Lily en Veronica zitten op een terras, maar in de schaduw, koolzuurhoudend mineraalwater te drinken. Anabel voegt zich bij hen en bestelt rum. Zij zijn allen bekenden van elkaar.

Anabel: Een grof schandaal! Dit is overduidelijk ongelijke behandeling wanneer het gaat om het toepassen van de bescherming van godsdienstvrijheid. Waarom wordt de Sikhs wél toegestaan hun tulband op de pasfoto op te houden en de pastafaris niet? Een schending van het recht op religieuze eigenheid en een aanval op onze pleidooien voor diversiteit!

Veronica: Niet te snel oordelen! De rechtbank heeft hier wel degelijk bij stilgestaan. In eerdere zaken zijn echter twee dingen te berde gebracht: De Kerk van het Vliegend Spaghettimonster is een parodiërende en satirische beweging en geen serieuze godsdienst. Er ontbreekt, stelde de rechter, “de vereiste ernst en samenhang”. Ten tweede onderzocht de rechter de door die kerk zo genoemde “heilige teksten”, en vond daarin geen verplichting tot het dragen van het vergiet ter ere van wat de aanhangers “Zijne Noedelheid” noemen. Er is dus echt een verschil met de ernst en toewijding achter de hoofddoek, het keppeltje of de tulband.

Lily: Bovendien, waarde collega, verbaast me jouw oordeel. Deze “kerk” is er slechts op uit andere geloofsovertuigingen te bespotten, en de gelovigen te kwetsen, door hun religie belachelijk te maken. Dit soort minachting voor een ánder geloof, of voor ándere culturele waarden, is nou net waar wij antropologen tegen strijden. We kennen de kwade effecten van etnocentrisme, minachting en discriminatie van “andersheid” goed genoeg om tegen dit soort arrogantie van, vergeet dit niet, meestal zelfvoldane Westerse, ongodsdienstige betweters te zijn.

Anabel: Het spijt me, oneens met jullie beider argumenten. Het maken van een onderscheid tussen een serieuze en een niet-serieuze religie is niet aan de rechter. In een rechtsstaat, nog steeds de best-denkbare bescherming voor het recht op diversiteit, hoor je ófwel alle religieuze of levensbeschouwelijke overtuigingen te respecteren, ófwel ze allemaal als irrationele denkbeelden te zien waarvoor in de staatsinstituties en de praktijk van wetsgelijkheid geen plek is. Wél in hun tempels en huizen, vanzelfsprekend. Maar een rechter hoort niet te beoordelen of, bijvoorbeeld, het Christelijke verhaal over een hemelvaart of de zondigheid van een condoom “voldoende ernst en samenhang” heeft. En over het minachten van de andersheid: hoort bij de godsdienstvrijheid en de vrijheid van meningsuiting niet ook dat kritiek op, en open debat over, geloofsovertuigingen toegestaan moet zijn?

Lily: Maar daar gáán we weer: dat principe van die vrijheid presenteert zich graag als superieur en neutraal, terwijl veel antropologisch onderzoek al vele malen aantoonde dat dat niet wordt waargemaakt. Het is zélf ook cultureel geïnspireerd en baseert zich een reeks axioma’s die andere culturele en religieuze werelden niet delen. Daarmee zet het andere culturele werelden en minderheden op achterstand vóórdat de dialoog begint. Ben je ons principe van relativisme niet aan het verkwanselen?

Veronica: Eh… met beiden oneens, om verschillende redenen. Het argument van de niet-neutraliteit van de rechtsstaat kan ik niet accepteren. Die neutraliteit is het principe waarop de erkenning voor verschil en andersheid is gebaseerd. Beter dan dit, tegen discriminatie en kwetsend optreden jegens godsdiensten of overtuigingen, hebben we niet. Tegen het argument dat er sprake is van ongelijkheid in behandeling moet worden ingebracht dat, zoals de rechtbank het formuleerde, “op satire en parodie de vrijheid van godsdienst- en levensovertuiging niet van toepassing is”.

Anabel: Nogmaals: daarover gaat de rechter niet. Veel religies vinden ándere religies irrationeel, onjuist en soms zelfs blasfemisch. In hun waarheidsclaim verschillen ze onderling niet. De staat blijft buiten die kwestie – en zo hoort het ook. Maar nu bleef ze er even niét buiten. Vandaar mijn verontwaardiging, ingegeven door mijn antropologische geweten: als respect voor andersdenkenden onze leidraad is, dan ook consistent.

Lily: Ik lees de leidraad anders: als die consistentie van jou resulteert in het buitensluiten van gelovigen, in het hen ontnemen van het recht op het publiekelijk belijden van hun geloof, in minachting, en zelfs in het toestaan van bespotting van wat hen heilig is, dan is de wetsgelijkheid een excuus voor stiekeme maar effectieve discriminatie geworden.

En zo discussieerden zij tot in de late uurtjes verder. Onder andere over wat de positie van de antropoloog in zulke kwesties hoort te zijn.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *