Vegan in Buenos Aires

Bondiola, matambre, chinchulines, choripan en milenasa napolitana zijn slechts een paar voorbeelden van de enorme keur aan vlees en worst in Argentinië. Vaak vergeten we de stapels pizza’s, bergen verse pasta’s en uiteraard de alom geliefde empanada die de Argentijnse keuken kent. Als we denken aan Argentijnse cuisine blijft de geur van asado (barbecue) echter aan ons geheugen plakken. Afgelopen december was ik in Buenos Aires voor veldwerk en een lang uitgesteld familiebezoek door de coronapandemie. De geur en het gesis van gebraden vlees was deze keer echter ver te zoeken. Zoals elders in de wereld maakte inflatie het leven in Argentinië duur en zette omikron het delen van eten opnieuw onder druk. Maar niet alleen de coronacrisis en alle aanverwante recessies en inzinkingen waren deze keer schuld. Voor twee weken deelden we lief en leed met vrienden die recentelijk vlees en alle aanverwanten de rug hadden toegekeerd en het (nieuwe) veganisme hadden omarmd. 

Volgens de statistieken van het Argentijnse College van Voedingsdeskundigen in Buenos Aires is momenteel twaalf procent van de Argentijnen ouder dan achttien jaar vegetarisch of vegano (veganistisch) met een duidelijke stijging van drie procent tussen 2019 en 2020. Dat is net de periode dat de eerste coronagolf Argentinië bereikte. Zou het drastisch wijzigen van dieet houvast kunnen bieden in ongewisse tijden? Maar laat ik niet verzanden in het psychologiseren noch idealiseren van motivaties en weloverwogen redenen van het consuminderen van vlees, dierlijk vet, zuivel en eieren.  In deze blog over veganisme in Buenos Aires beschrijf ik enkel hoe vegano er uitzag (en smaakte) in onze Argentijnse corona-kerstbubbel.

Onze vriendin Cusi is en blijft kok in hart en nieren. Bijna veertig, maar qua statuur was ze nog altijd een jong meisje dat mirakels verricht in haar ingetogen keuken (zie @soycusi om te zien dat wonderen de wereld nog niet uit zijn). Haar restaurant in Buenos Aires had ze drie jaar eerder gesloten na de geboorte van haar dochter. De huur werd onbetaalbaar, de opbrengsten te mager en haar tijd met twee kleine kinderen te schaars. Haar recepten en culinaire vaardigheden waren echter niet vergaan. Geen voorverpakte bietenburgers en tofureepjes of plastic bakjes vegan filet a l’americain in huize Cusi. Cusi had zichzelf hervonden met grote weckpotten vol met cashewnoten, liters kikkererwtenvocht, aardappelpuree en appelmoes, zuurdesemdeeg en stapels gepaneerde aubergine en broccoli. Ieder ontbijt, iedere lunch en ieder avondeten verraste ze ons met iets anders lekkers. Alles op ons bord bestrooiden we met wat we innemend polvo mágico (magisch poeder) noemde: een voedingssupplement op basis van vitamine B dat mij vagelijk deed denken aan de smaak van karton. Het mocht onze eetpret niet drukken.

‘s Avonds laat als de kinderen eindelijk sliepen was er tijd en stilte om te reflecteren op de nieuwe eetgewoonten. Ik hield hardnekkig vast aan mijn politiek correcte houding dat elk soort voedsel dat wordt geproduceerd volgens een economisch model dat er enkel op gericht op is om zoveel mogelijk winst te maken het echte onderliggende probleem was van onze welvaart en haar misbruik van natuur en mens. Ik zei dat dat was de reden was dat ik met scepsis de vegan turn in de schappen van de Albert Hein ervoer. Cusi was mild in haar verdediging. Tweeënhalf jaar eerder -nog net voor de pandemie- was ze haar terugkerende acne zat en richtte ze haar hoop op een plantaardig dieet. Het werd al snel een roeping: 100% plantaardig werd ook cero waste (in spanglish uiteraard) en lokaal geproduceerd. Haar schoontante grapte soms of ze niet ook moest waken voor de pijn van planten als ze bruut uit de grond werden gerukt voor consumptie. Cusi kon er wel om lachen. Haar mildheid was inspirerend. Al snel stond ik veganistische oliebollen te bakken met oud en nieuw. Twee dagen daarna stond veganistische sushi op het menu. We zijn alweer een paar weken in Nederland. Maar Cusi’s recepten en culinaire verbeelding leven nog voort in onze keuken.

Dertien jaar geleden vestigde ik me als vegetariër in Buenos Aires voor promotieonderzoek. Als puber was het geen politieke overweging geweest om te stoppen met vlees eten. Misschien daarom was ik in Buenos Aires al snel in de ban van chori en cuadril. Overtuigd dat als ik echt wilde weten wat argentinidad was, dat ik dan mijn snijtanden wel móest zetten in een groot en sappig stuk vlees. Al snel applaudisseerde ook ik met even veel overgave voor iedere asador die zwetend boven de hete kolen hing op die lange en lome zondagmiddagen. Het effect van de geur van Argentijns vlees op een Nederlandse antropoloog heeft zelfs menig kort verhaal doen ontkiemen. Een echte carnivoor ben ik echter nooit geworden. Zou Argentinië mij opnieuw doen zwichten voor een andere blik op eten?

Eva van Roekel  is universitair docent bij de Afdeling Sociale en Culturele Antropologie, Vrije Universiteit Amsterdam


Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *